Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘verhaal’

De geur van het gesticht

Er is bij mij nog maar weinig eigen herinnering overgebleven aan mijn broer. De geluiden die hij nog uitstootte op zeer jonge leeftijd hadden niets met taal te maken. Al snel zweeg hij en wees naar wat hij nodig had. Ik weet nog dat zijn huid droog was. Zijn haren waren lichtblond, zoals dat van mijn moeder. Toen ik twee werd, was hij al twee maanden eerder dat jaar jarig geweest. Drie jaar oud en klaar voor het tehuis. Van zijn vertrek heb ik vanzelfsprekend niets gemerkt; zelf liep ik net een jaar. Zo leerde ik gaandeweg dat ik een broer had, maar voelde me een zuster van niemand. Opgroeien deed ik als enig kind samen met mijn ouders, beneden in een vierhoog flat; wij hadden een tuin. En een hond en een kat.

Soms dacht ik wel aan mijn broer als mijn moeder huilend met de handen in het haar thuis op de bank zat. Dan waren we op straat een moeder met een andere mongool tegen gekomen. Later kwamen er ook veel vaker mongolen op televisie; mijn moeder huilde steeds vaker. Ik vond andere mongolen er veel lelijker en debieler uitzien dan mijn eigen broer, mijn broer Ivo. Hij sprak bijvoorbeeld niet, was niet aanhankelijk of luid, bemoeide zich weinig met anderen, liet z’n tong niet uit zijn mond hangen en kwijlde niet. Hij hechte waarde aan het zich steeds op dezelfde wijze repeterende bezigheden, stipte tijden, gelijke routes en hield van dieren, fricandellen en patat. Soms ging ik met mijn ouders mee om hem te bezoeken in het tehuis. Ver weg, verstopt in de Nederlandse bush. Het tehuis bestond uit diverse afdelingen verspreid over verschillende gebouwtjes met namen als; ‘ De kleine Wolf ‘, ‘De kabouter’ of ‘ De paddenstoel’. Er was ook een kinderboerderij aan verbonden met stallen, dit alles omgeven door wandel-en fietspaden. Bos en mos. Het rook er fris en koel naar zwarte aarde, schimmel en droog schors. Ivo was fan van Ed en Willem bever. Mijn moeder droeg een paarse plastic tas met daarin een piepbeest verpakt in cadeaupapier en een voorleesboek vol met plaatjes van de dieren van het grote dierenbos uit het televisieprogramma ‘De fabeltjeskrant’. Het was koud in het woud.

 

Mama kocht die rubberen Goofy in de speelgoedwinkel. Het rubber was nieuw en zacht. Als je in Goofy’s kop kneep, ging dat heel soepel en de piep was nog heel helder. Ik mocht mee naar de winkel om het piepbeest uit te kiezen. Zelf mocht ik ook een cadeautje, maar mama vond het ook prima dat ik liever naar de sigarenboer op het blok wilde voor twee pakjes Elvisplaatjes en een zoute rij voor vijf cent. Drie lichtgele mannetjes en twee lichtbruine hielden zich hand in hand aan elkaar vast. Ik beet een geel mannetje links weg en daarna ook die gele aan de rechterkant. Dat laatste gele poppetje in het midden was ik, en die twee lichtbruine waren mijn ouders. Ik was vijf inmiddels. Ik ving hommels in een jampot en goot samen met mijn buurmeisje gips in latex mallen van oude knutselpakketten. We deden paarden en poezen. Samen met Ingrid schilderde ik de beeldjes. Wanneer ze glommen van het vernis en ze niet meer plakten, beklommen we alle trappenhuizen op zoek naar de omaBuurvrouwen om ze te verkopen. Soms kregen we snoep , maar vaker vingen we een duppie. Zo konden we weer nieuwe pakjes Elvisplaatjes kopen. We hadden Elvis voor zijn uiterlijk; want wat Elvis voor de kost deed, dat wisten we toen nog niet. Ingrid had een tweelingbroer, maar dan een normale. Ik heb haar één, hooguit twee keer verteld over mijn broer, maar verzweeg dat hij achterlijk was. Later, toen Elvis stierf in Augustus 1977 vonden we dat we maar moesten overgaan op John Travolta plakkers. Plaatjes sparen van dooie mensen vonden we raar.

De plaatjes die ik die dag van mijn moeder kreeg, lagen veilig thuis op het dressoir. De aangevreten zoute rij nam ik mee in m’n jaszak. Ik kneep de poppetjes plat tussen duim en wijsvinger en met m’n andere hand hield ik mijn vader vast. Zijn hand was enorm, sterk en warm. Mama’s tas hing over haar arm en in de andere hield ze een bosje droogbloemen vast. Ze liep behoorlijk door. Zonder te praten liepen we over het natte pad en de gefiguurzaagde dwergen van Sneeuwitje langs het pad, wezen de weg naar de pianobar waar mijn grote broer woonde. Papa’s sigarettenrook was blauwig en de mijne blies ik wit door mijn vredesvingers heen, dat zó verdween in de kou. De bomen waren kaal en de slapende varens lagen in dorre pollen tussen het oude blad. Het was zestien Februari 1976 en de Waterman werd zes die dag. Onverwachts maakte ik een sprong in een modderige plas op het pad die mislukte doordat m’n vader me een nijdige ruk aan m’n arm gaf. Mama keek boos en ik wilde alleen nog maar rammen op de piano van Ivo. Want straks als we weer naar huis gaan, dacht ik, is mama weer verdrietig, ondanks dat Ivo lang niet zo lelijk en debiel was als Matthieu, Pieter en Annet. Die waren pas om te janken. Annet zat in een rolstoel en droeg permanent een slabbetje voor het onophoudelijke gekwijl, haar tanden stonden scheef, haar mond krijste en haar handen waren vergroeid. Ze sloeg me ook, als ze de kans kreeg. Ik was bang voor haar en hoopte dat ze er niet was. M’n broer zou er zitten op de grond, achter een heuvel van piepbeesten. Matthieu en Pieter waren wat zachtmoediger en eigenlijk ook wel gewoon lief. Het gebouw was opgetrokken uit rode baksteen en alles wat van hout was, was donkerbruin gebeitst. Het had een plat dak, net als onze flat in Utrecht. Mijn opa vertelde me ooit eens dat Koningin Juliana heel dicht bij Ivo woonde in paleis Soestdijk. Dat vond ik indrukwekkend, want de Koningin was een ster; net als Elvis Presley. Een gebouw vol apengeluiden en poepgeur naast een paleis vol prinsessen en prinsen.

De recreatieruimte bestond uit een t.v.hoek, een koffietafel, een voorleeshoek en her en der stonden stoelen en tafeltjes. Tegen de enige raamloze muur stond het machtige instrument. De hoogste tonen deden het niet meer, de snaren waren gesprongen. Van heel wat toetsen ontbrak de imitatie ivoren toplaag..die toetsen waren van kaal hout. Ivo keek niet op of om toen we binnenkwamen en lag op zijn rug tussen zijn beesten. Pieter en Matthieu waren er en Pieter had zijn helm op. Annet was er gelukkig niet. Papa en mama kregen koffie van Jolanda, een van de groepsleidsters. Pieter en Matthieu zaten al klaar op de kruk en ik ging er naast staan. Er waren nog meer ouders van andere bewoners, het was best druk. Terwijl we herrie maakten op de piano, keek ik af en toe naar m’n ouders die op hun hurken bij Ivo zaten. Hij scheurde het papier in honderd snippers en strooide ze iedere keer weer omhoog wanneer ze allemaal weer geland waren. Goofy lag met een stompzinnige grijns op z’n smoel zijdelings tussen de benen van mijn broer. Made in China. Ze hielden afstand en raakte hem niet aan. Meestal wilde hij dat niet, aangeraakt worden. Dan kon hij je nog weleens lelijk knijpen. Ondertussen ramden wij gedrieën lustig op de toetsen, als Pieter tenminste niet als een zeeleeuw verrukt in zijn handen aan het klappen was. Hij was heel blij, net als Matthieu, die mijn hand vasthield. Zijn gebit was geel en hij lachte het helemaal bloot. Ik zag dat Mama nu met Ivo tegenover zich in de voorleeshoek zat voor te lezen uit de fabeltjeskrant en dat papa zat te roken aan de koffietafel. Hij keek wat voor zich uit naar helemaal niks. Ik wilde eigenlijk ook wel weer eens voorgelezen worden. Ik wilde wel opstaan, maar Matthieu liet me niet los. Hij kneep in mijn hand. Hij kneep hard, heel erg hard en het deed me pijn. Zijn ogen rolden nu naar achteren. Hij viel van zijn kruk op de grond en toen pas liet hij mij hand weer los. “Mama!!” riep ik. Maar m’n moeder hoorde het niet. Pieter sloeg met twee vuisten op de piano en had pret voor tien. Pas toen ik hard, huilend gilde, sprongen Jolanda en nog wat mensen geschrokken op. Matthieu lag op zijn rug als een stervende vogel en maakte rare bewegingen. Het begon naar stront te ruiken in de zaal.

Fever! When you kiss me, fever when you hold me tight”

Dit jaar was tevens het jaar dat mijn vader me verliet zonder iets te zeggen en ik thuis alleen achterbleef met mijn moeder. Het weerzien met mijn broer werd beperkt van een stuk of vijf maal per jaar, tot iets eenmaligs. Tegen de tijd dat ik negen werd, hield de veertiendaagse bezoekregeling met mijn vader op, met als gevolg dat ik mijn broer ook nooit meer zag. Mijn moeder bezocht haar zoon in de bush al niet meer sinds de scheiding. Het bewijs van hun bestaan zocht ik als kind, puber en twintiger op in fotoboeken. In stilte heen en weer bladerend tussen spinnenwebben vloeipapier.

Pas in 1998, achttien jaar later, ontmoette ik Ivo weer. Hij was inmiddels een jonge man van achtentwintig, geschoren en gekleed in een rode sweater en blauwe jeans lag hij. Om zijn nek droeg hij een portemonnee aan een koord. Naast hem stond een rubberen Ernie en een speelgoed autootje. Achter zijn oor, tot in de hals was een bloeduitstorting te zien. Op de vloer lagen grote en kleine bloemenkransen met bedrukte linten eraan. De namen van mijn vader, Annet en Pieter herkende ik wel, de meeste anderen niet. Ik keek naar zijn gezicht achter het glas en ik had het best willen aanraken. Mijn buik raakte zijn kist en het kind in mijn lichaam bewoog lichtjes. De Waterman was ingeslapen, een paar dagen voor de komst van de Goedheiligman en zijn knecht.Verderop in de gang van het mortuarium hoorde ik de lange uithalen van het gehuil van mijn moeder naderen. Tijd om te gaan.

Even voelde ik nog aan het handvat van zijn kist, pakte de hand van mijn vriend en nam zo afscheid zonder een traan te laten. Ik vond dat ik het recht niet had.


Read Full Post »

Eerste kerstdag 1984

De keuken van mijn moeder stond vol beeldjes van kippen en konijnen. Door het raam boven de gehaakte gordijntjes uit, zag ik het dunne ijs op de vijver staan. Het was eerste kerstdag 1984 en de naam van mijn stiefvader werd door het huis heengebrult door mijn moeder. Wij waren gekleed in kerstige jurken en mijn broer in een kerstig cordury broekje met overhemd en vest. Onze vader lag nog op zijn nest. De toon was gezet, om half tien in de ochtend. Woest sneed zij de kerststol aan met wijd opengesperde neusvleugels. Wij waren dat wel gewend. Ik, de gangmaker van vier kinderen, gooide wat olie op het vuur door twee lege bierflesjes die op het aanrecht stonden als klokken te laten klingelen. Na enige tijd daalde onze vader gekleed in een gekreukt overhemd te trap af, richting de w.c. Zijn geslacht hing in treurig plasverlangen onder het katoen uit.

Het is KERST, godverdomme…Waarom kan jij nou nooit eens, net als wij, op tijd je nest uitkomen. Heb je weer hoofdpijn?” Zij was boos. “Zeikwijf..” klonk er hol vanuit het gesloten piskamertje. Ma hield er de moed nog maar nauwelijks in; want het móest gezellig zijn. Tot overmaat van ramp, zaagde ze een snee in haar kluif en ging nu vloekend LOS. Dat vloeken hoorde wij als kinderen allang niet meer. Ik keek gebiologeerd naar het bloed op het broodmes dat zich vermengde met amandelspijs. Na het vloeken kwam het huilen. En na het huilen kwam het snuiten. En na het snuiten kwam de moed voor een spelletje MensErgerJeNiet.

Leuk! Ik had geel. En alsof de duivel ermee speelde, kregen mijn zusjes, mijn broer en ik er ook nog lol in. Mama las intussen een kalmerend roddelblad op de bruine bank. Wij sloegen elkaar, tipte elkaar over en vulden de vakjes met rode, gele, paarse en groene pionnetjes zonder elkaar onder de tafel te trappen. Als je ouders het allemaal niet meer aan kunnen, dan moet je als kinderen bepaalde taken van ze overnemen. In de naam van Jezus Christus, Amen.

Toen de ochtend in de middag veranderde, besloot ik samen met mijn broer een goede daad te verrichten. Wij zouden de slagroom verzorgen deze kerst. Wij hadden een metalen slagroom spuitfles waarin je room goot en de suiker strooide. De spuitkop draaide je vervolgens stevig vast. Daarna behoorde je dan een koolzuurcapsule in te draaien en kon het spuiten beginnen. Hoge torens op het advocaatje van mama.. Maar mama was vergeten die koolzuurcapsules te kopen, dus moesten we naar buurman Hennie. De terrorvader van onze vriend en vriendin links naast ons. Wij moesten daar moed voor verzamelen. Mijn broer en ik wáren moedig: Wij durfden ook een doos vol stront met een brandende rotjesbom er in voor zijn deur te zetten. Dus.

Buurman Hennie had ze! Verdomd als het niet waar was. Hij gaf de capsules aan ons; Want het was kerstfeest en het glas cognac in zijn handen streek over zijn hart. Bloedhond, brandweer en Charles Bronson-fan was hij. Lachwekkend, nietwaar?

Mijn broer Berthus en ik kwamen thuis met de buit en draaide de capsule in de slagroomspuit, ik schudde de fles krachtig en deed de spuittest. Godeverdomme: NIKS. De room bleef dun. “Mama! Hij doettet niet!” Mijn moeder riep vanuit de Privé ‘dat we het dan nog maar eens moesten proberen’. Berthus draaide de tweede capsule leeg in de fles. In de keuken met de gehaakte gordijntjes en de bruine tegeltjes kwam onze vader thee zetten, keek, mompelde en liep weer weg. Nog steeds was de room dun en ik proefde.. Dun en zoet. En het voelde als Seven-up op mijn tong. Dit werd niks, zo.

Gooi maar weg, die troep” Zei m’n broer. En toen gebeurde het. De spuitkop van de fles zat verschrikkelijk vast, maar ik liet me niet kisten. Ik pakte een theedoek en probeerde het nog eens; draaide….

BOEM!!!!

Alles. Werkelijk álles in de keuken: Vier muren, het plafond, de konijnen en de kippen, het keukenraam, mijn brilletje, mijn broer. We waren verslagroomd en ik moest zo verschrikkelijk lachen, dat ik haast in mijn maillotje zeek. Mama kwam de keuken in en keek naar ons met een vernietigende blik in haar ogen; maar we konden maar niet ophouden met lachen….we moesten ZO lachen. Onze vader kwam nu ook even kijken…mompelde iets en liep met een vieze grijns weer terug naar de huiskamer, waar zijn thee nog stond te dampen.

Berthus en ik hebben toen de hele kerst op onze kamer moeten zitten. En weet je? Wij hebben daarna met kerst nooit meer zo gelachen als dat we deden tijdens de kerstdagen in 1984.

 

Read Full Post »

Kerstavond 24 December 0

Net uit je warme moeder, je stikt half in een slok vruchtwater; Krijg je een pets op je kont en moet je met je blote vel in een bak stug stro. Staat er vee naast je te kledderpoepen en wacht er meteen al visite van drie koningen voor de deur. Je hebt nog niet eens de coördinatie voor het uitpakken van mirre…

En dan dat sterrenlicht boven je hut dat herdertjes aantrekt. Je ként die mensen niet eens. Je moeder ligt voor Pampus en je vader is zwaar chagrijnig. Lig je dan, met een strootje in je anus. En er is geen mens die je daar even van af helpt omdat ze allemaal op de knieën liggen voor je. Huilen helpt niet. En je had zo graag Archibald willen worden genoemd, maar ze hebben er Jezus van gemaakt; Gristus nog aan toe! Papa staat met zijn tondeldoos te proberen het wierrook te ontsteken en mama voert de moederkoek op aan de eendjes: Het is December. Jaar 0.Toen waren er nog geen BIC-wegwerpaanstekers. Heb je een mama met een barbievagina die de koe laat opdraaien voor het borstvoeden. (Mama heeft nu een héél andere vagina, sinds ik er ben)

Maar goed. Daar liggen, zitten en- staan we dan. In Bethlehem…in de herberg naast onze hut zitten ze aan de punch bij de kerstboom: Feest te vieren. En nét als je je buik hebt volgedronken uit die warme runderuier, komen er als donderslag bij heldere hemel Engelsen met vleugels neerdalen van boven. En krijg je wederom een corrigerende pets op de bil, dit maal van God, Vader en tevens gedachtenpolitie van beroep. “Het zijn ENGELEN, mijn zoon!” bulderde hij. Een rechtvaardig man, mijn denkbeeldige paps. Als pasgeboren almachtige valt het allemaal niet mee….kerstavond. Heel hyperig allemaal, wanneer Eng-el-en “Jezu wellekome” schallen.

 ~ Jezus moet even een sjekkie draaien..moment geduld s.v.p.~

 Na enkele uren vertrokken de dronken herdertjes met lege heupflacons samen met hun zesonderdéénendertig schapen. Het was gruwelijk druk, maar toch gezellig.De drie koningen verdwenen uiteindelijk de herberg in met hun dronkedarissen en de Engelen keerden terug naar hun ISS ruimtestation om televisie te kunnen kijken. Toen had papa eindelijk de tijd en voldoende privacy om met een dot kamelenharen de wonde van mama’s vooronder te deppen met boerenjongens. Iets anders was immers niet voorradig om tot ontsmetting te geraken. Papa was maar een simpele timmerman en het was allemaal overweldigend nieuw voor hem. Rond twaalven vond God de Vader het ook wel welletjes en draaide de peer uit de ster. Papa, mama en ik vielen in een kalme, diepe slaap. Er lag op dat moment nog een heel leven voor me met een snor, een baardje en een doornen kroon. Een leven met een hoer en twaalf postbodes

Het leven zou voor mij nog voor verassingen komen te staan, maar nu ik sliep, genoot ik van de zachte droom over een préttig kerstfeest.

Read Full Post »

IK en ZIJ : deel 2

Het water droop van de bladeren en de druppels vielen in het water en in het water ontstonden kringen. De vissen zwommen opgewonden naar de oppervlakte en hapten naar niets. Ik zat op een houten tuinstoel uit de zon, met mijn handen in het haar en ZIJ voerde de vissen. Ze gooide de groene en rode bolletjes in de waterstraal die door een buis uit het vijverfilter terug de vijver in liep. De waterkracht duwde de voerbolletjes onder water . De elritsen zwommen vanuit de diepte tegen de stroming van de straal in en de goudvissen strekten hun lippen uit als trompetjes. Soms hapten ze mis, of spuugden een bolletje terug. Vissekauwen noemde ik dat. In het ondiepe gedeelte van het kleine vijvertje zat een kikkerpaar in de modderige pot waaruit de miniatuurwaterlelie groeide. Eén van de twee knipperde met een oog en de andere kroop iets verder de modder in van de bedreigende mensenblik.Ze liet het laatste voer in het water vallen en toen werden zij en ik MIJ.

ZIJ was vertrokken.

Ik belde mijn moeder met trillende handen op om haar met het nieuws te verrassen. Ma haatte haar ex-man tot op het bot. De haat was niet versleten, dertig jaar nadat ze na tien jaar huwelijk van hem scheidde. De haat reed, als het de kans kreeg, als een hoogglanzende rode Ferrari uit de haatgarage, plankgas de haatbaan op. Zij had gewonnen, want hij was dood en zij kankervrij: Hoera! Ze zei dat niet en bleef beleefd door te zeggen dat ze het erg voor mij vond. En misschien…heel misschien, vond ze het ook wel ‘gewoon’ erg. Ze had wél een hart. Toch. Huilen deed ik niet, de schok van de boodschap van mijn vaders overlijden leek meer op een veenbrand met veel rook, gesmeul en geknetter. Daar heb je oxazepam voor, voor veenbranden. En een glaasje water. En een bank. En een borrel. Het kon er allemaal nog wel bij. Nu is dát in ieder geval achter de rug, dacht ik. Hij is éérst gegaan. Er komen geen vragen meer bij en ik hoef me nooit meer zorgen te maken of er een formule bestaat waardoor mijn vader en ik op één of andere manier nog op een harmonieuze manier een halfbakken relatie kunnen aangaan. Het was stuk en het bleef stuk tussen ons. En nu bleef het voor altijd stuk. Tot die conclusie was ik al gekomen, op twee maanden na een jaar eerder, in 2010. Toen ik hem voor het laatst sprak aan de telefoon.

 Drie avonden voordat ik mijn vader voor het laatst in leven sprak aan de telefoon, in 2010, belde mijn andereVader, Bas, mij op om te vertellen dat er eierstokkanker was gediagnosticeerd bij mijn moeder en dat mijn moeder in totale paniek verkeerde. Geen leven hebben en toch bang zijn om te sterven: vreemd eigenlijk om zoiets te denken van andermans leven. Het is ook maar een mening, om een leven urgent te vinden of waardeloos. Maar doodsbang was ze. Aan mijn kant van het bed lag in de volgende ochtend een tapijtje van volgesnoten, natte papieren zakdoekjes. Met opgezwollen oogleden en een bonkende hoofdpijn sleepte ik me de dag door. De contactlenzen bleven in het doosje en het iedereenmontuur stond de hele dag op de neus. De verdere dag bestond uit telefoneren met mama. Over hoop en vrees. Mijn moeder werd tijdens het gesprek een kind en ik werd moeder; ze werd klein en ik werd groot. Ze jammerde van ellende en ongeloof en vertelde van de vijf liter bruine prut die ze in het ziekenhuis via een buis uit haar buikholte hadden laten lopen. Ze wilde op schoot en boterhammen eten zonder korst. Ze wilde plotseling weer alles wat een leven mooi kan maken. Mijn handen waren koud en mijn rug was klam van ellende en onzekerheid over hoe deze ziekte zich zou ontplooien. Hoe ik haar kon helpen? Het idee dat ik mijn moeder zou gaan verliezen. Voor altijd. Het kwam in zicht, het einde en de misschien de oplossing: Misschien zou ik nu dan eindelijk mijn moeders kwetsbaarheid zien en zou ik een grote meid van veertig worden, in haar ogen. Ik vroeg en vraag me alleen nog steeds af waarom dat pas lijkt te kunnen bij ziekte of een goeie sterfpartij. Dat het dan wél kan, of zou kunnen. Dat de wil er dan wel is. Allerlei herinneringen van voorvallen en gebeurtenissen uit het verre verleden, schoten als paddestoelen uit mijn brein door al die hete tranen. Na het derde telefoongesprek die dag, beloofde ik haar dat ik haar de volgende dag weer zou bellen en we vertelden elkaar, voordat we elkaar wegdrukten, dat we van elkaar hielden

Rond vijven schonk ik een bel witte wijn in en kookte mijn man een pan rode spaghettisaus. Mijn dochter keek van beeldbuis naar haar moeder en toch maar weer naar de beeldbuis. Er lag zand op de vloer en de kattenharen lagen als struikjes op de bank. ZIJ had de stofzuiger laten staan. ZIJ was vergeten te eten. Een mooie Septemberdag was verzopen in de zorgen van morgen.

De volgende dag stond ik om half acht ’s ochtends bij de huisarts op de stoep. Na weer een nacht vol paniekgedachten en huilbuien om dingen die nog lang niet van toepassing waren, besefte ik dat slapeloosheid me zou gaan nekken. Ik kreeg 10 tabletjes oxazepam voorgeschreven voor de nacht, als inslaper. En dat hielp me in inderdaad uitstekend om mijn rust te kunnen pakken. Eentje voor het slapen gaan na het tandenpoetsen. De loomheid sloeg toe na ongeveer een half uur en de volgende dag werd ik uitgerust wakker tegen mijn man aangeplakt, als een bange aap hangend aan z’n mammie. Het spervuur van nog niet ter zake doende horrorscenario’s takke-takke-takte er na het waken zo goed als direct weer lustig op los.

Ik had er maar tien. Tien witte pilletjes. Dus overdag liet ik de wanhoop maar op z’n beloop en snakte ik weer naar het uur dat ik even kon ontsnappen aan de angst. Naar de Nacht. Niet mijn moeder eerst- NietmijnMOEDEReerstpiekeren, tanden poetsen, pilletje slikken het bed in en dan ongemerkt wegzeilen. . . in een droomloze slaap.


Read Full Post »

ZIJ en IK : deel1

Nadat ze haar beddengoed een paar uren aan de rumoerige, frisse straatlucht had laten luchten, sloot ze het raam met een klap. De overbuurvrouw had haar kerstboomlampjes al ontstoken, zag ze, net voordat ze de plisségordijnen liet zakken. Ze schudde de kussens op. De slaapkamer zag er rommelig uit door opgestapelde dozen en rijen lijsten die tegen de wand aanleunden. De boekenkast die zo groot leek in de winkel, maar er nu hier toch volgepropt uitzag, stoorde haar ook. De kleur van de muren stond haar tegen en één van de ruitjes van de deur was ook al tien jaar afwezig vanwege een woedend momentje.

Ze sloeg het zware, wollen winterdek open en trok het strak over het matras. Ze tilde het matras aan het voeteneind omhoog en stopte de sloop er weer netjes onder. Zij is Ik en Ik ben Zij. Ik kijk weleens naar haar, als ze zo loopt te stampen door het huis wanneer iedereen van het gezin, behalve zij, naar school of naar het werk is vertrokken.Wij roken altijd samen sigaretten in de ochtend en drinken wijn in de avond. Als wij, ik en zij, samen Mij zijn, dan hebben we toch weer een stap voorwaarts gedaan

Zij loopt op blote voeten met natte haren weg uit de slaapkamer en vult de closetrolhouder bij met verse, goedkope, maar zachte rollen wc papier. Ze drukt zonder haar behoefte te hebben gedaan de grotebehoefte-knop in. Die naast de kleinebehoefte-knop. Gewoon nog even dat kleine stukje stront wegspoelen dat daar nog zo’n beetje met z’n laatste krachten aan het glazuur kleefde. “Niet mijn stront”, dacht ze, en glimlachte. Verder zag de badkamer er ordelijk uit, vond ze, na een snelle inspecterende rondgang van haar ogen. Ze ging op de pleebril zitten en trok haar sokken aan.

Ze liep weer naar de slaapkamer en schoof drie dozen aan de kant zodat ze de boeken van de onderste plank te pakken kon krijgen. Ik kreeg de boeken die ik vond in de verlaten flat van mijn overleden vader niet uit mijn gedachten. Zij vertrok en ik bleef over met besokte voeten achter op de plankenvloer. Ik tilde de dagboeken van mijn vader er per drie uit, ze waren zwaar en roken nog een beetje naar het gif dat ik er eind Juli op had gespoten. (Toen alle bladeren nog aan de bomen zaten en de bladluizen nog gulzig dronken van de rozenknoppen in de tuin, ontdekte ik hele kleine, snelle beestjes tussen de bladzijden.) Vanaf het jaartal 1995 tot en met 2011 had ik de dagboeken van mijn vader in mijn bezit. De jaartallen 1997, 1998 en 1999 lagen in een locker, op het politiebureau in Utrecht. Een aantal weken geleden belde ik de desbetreffende resercheur die ik eind Juli had gesproken op, om te vragen of de boeken wel veilig waren én of hij er al iets mee gedaan had. De boeken zijn veilig en ongemoeid gelaten, zoals verwacht. Ik drukte hem op het hart dat ik hoopte dat hij er voorzichtig mee zou omspringen en dat beloofde hij.

Ik legde de boeken op volgorde op mijn bed en keek ernaar. Lange, rechthoekige werkagenda’s. Sommigen beplakt met dun karton om de kaft te beschermen tijdens gebruik. In het begin nam hij ze mee op zijn tochten door Nederland, later niet meer. Ook dat is te lezen. Alles is te lezen. Alle dagboeken, behalve de drie dagboeken die ik nu tijdelijk niet in mijn bezit heb, hebben hetzelfde formaat. Groot en log en inhoudelijk vol. Zo verschrikkelijk vol. Met alles en niets.

Ik begon opnieuw in het laatste dagboek te lezen. Op de laatste dag die hij zijn leven van uur tot uur beschreef in notaties. De laatste notaties die ik al tientallen keren had gelezen. Het boek dat opengeslagen op een mahoniehouten tafel lag onder het licht van een halogeenlamp met een IKEAlabel aan het snoer. Naast een overvolle asbak, waar de regelmatig gedraaide peuken rechtop gestoken stonden in circelvorm, in een laag anijsgeurend schelpenzand. Ergens, in een seniorenflat.

24 Juni 2011

12:05  Wakker •Opstaan• PLPL

12:55  Gegeten: 1 bh. Kuikenfilet / grill

              Echt smerig/ weg

              1bh. Jam

              Sap van: 2 Sinaasappelen

13:05   Gewassen en aangekleed

               25 Juni uitlijnen

               Ik heb het koud

14:35   Stoppen met krassen. Ik beef als een riet.

15:10   ’n Paracetamol 500 en plat

16:20   Wakker •Opstaan• Krassen

               Klaar ∞ (symbool voor ‘klaar met uitlijnen’ voor 25 juni)

16:45   Klaar∞ (symbool voor klaar met krassen= schrijven)

              Shaggie

              NDR | Kielerwoche

18:15   Shaggie

Na een weekend dat geteisterd werd door een hittegolf werd ik gebeld door een agent met een ernstig klinkende stem. Het was op woensdag, negenentwintig Juni dat hij samen met een collega een lichaam naast een bed op klossen vond, in een flat met gesloten ramen.Waarschijnlijk hield hij zijn wijsvinger onder de laatste notitie op het papier van het achtergelaten dagboek onder het woord ‘Shaggie’, toen hij me vertelde dat mijn vader vermoedelijk al vier dagen lag te ontbinden.

Ik voelde mijn hart bonzen en mijn knieën week worden. ZIJ verdween de tuin in om de planten te sproeien. Gewoon, verder gaan met waar wij mee bezig waren.

Read Full Post »

‘Stilte’

Zo liep ik door dat niets verhullende park. Een IKEA-park uit een grote kartonnen doos met een zakje schroefjes en een inbussleuteltje erbij geleverd. Babyberken met witte schilferige stammetjes. Aan de voet van ieder boompje staken voedingspijpen uit de grond waar ik het liefst even in had getuft. Nu werk ik me als hobbyverteller toch behoorlijk in de nesten. Want hoe krijg ik dit achtste deel lezenswaardig, doordat ik me net dit kale plantsoen heb ingeschreven? De Winter was nog niet helemaal voorbij en toch leek de Lente nog ver weg doordat de sloten gevuld waren met donker, schijnbaar levenloos water waar nog geen eend in zwom, laat staan een leuk baltsend stel futen. De bomen waren kaal en de eindeloos uitgestrekte aardappelvelden die je vanuit het park makkelijk kon zien leken grote, donkere dekens van klei. De zon deed het water dat in de geulen van de bewerkte grond was blijven staan iets glinsteren. Als ik m’n ogen dichtkneep werd ieder glittertje verdrievoudigd. Dat was wel zo ongeveer het enige carnavaleske aspect van dit Groninger landschap dat ik ontdekken kon. Grasvlakten, akkers en paden. Houten banken en een grote rechthoekige vijver.

Nu zou ik mezelf op een bankje gaan kunnen zitten schrijven, wat ik in werkelijkheid ook deed. Maar wat dan te beschrijven? Dat de lucht boven Ulrum strak blauw was? Dat er geen wolk te bekennen was waar je een zeemeermin of een hobbelpaard in had kunnen herkennen? Een dood moment, midden op de dag. Allemaal kostbare tijd die je zomaar aan je voorbij laat tikken. Inmiddels had ik al wel op de vochtige planken plaatsgenomen, al verwachtte ik geen bus of ander ongeluk. Van mijn sjaal had ik een kussentje gevouwen om op te zitten. Dat vouwen van wol gaf zelfs geluid in de stilte hier en dat begon me behoorlijk dwars te zitten. -Het kapotgeschreven bewonderen van de stilte, de liefde voor de eenvoud en de schoonheid van het zuivere, het kale en het pure ligt op de loer-. In mijn schoenen kromden mijn tenen en mijn eigen tandengeknars werd zelfs hoorbaar. De Noorderling klaagde vaak over de moeite die hij soms had met het geouwehoer van de mensen op het terras van het café in het centrum waar hij boven woonde. Zelf woonde ik er inmiddels ook half, wegens de non-stop oorlog die ik toen thuis had met mijn ouders. Het kapotvallen van bierglazen op de stenen en mensen die tegelijkertijd hard in de lach schoten om iets dat werd gezegt door één van hen. Schuivende terrasstoelen en de muziek uit een CD- spelende Wurlitzer die naar zijn smaak áltijd te hard stond. Zelf vond ik het rumoer spannend en gezellig. Eigenlijk kon ik maar weinig begrip opbrengen voor het geklaag van de Noorderling. Ik lag ’s avonds graag in bad met mijn oren onder water. Dan kon ik de gasten beneden in het café soms bijna letterlijk verstaan. Luistervinken bij het open venster in de zomer vond ik een sport. Soms herkende ik een stem van een bekende, dan pakte ik de sleutels en stak vijfentwintig gulden in mijn zak om zelf een paar uur plezier te gaan zitten maken onder mijn eigen ramen. De levendige herrie in de vroegte van de rammelende fietsen, waarop de katerige studenten ’s ochtends de dag in trapten. De stationair lopende vrachtwagens van bierbrouwerijen, de luidruchtige mannen van de brandweerkazerne, het winkelende publiek, het klikken van de hakken onder de hielen van haastige dameskuiten en het loeien van die ene dakloze psychiatrische patient. De drol van een junk op een krantje in het portiek bij de voordeur. Die drol maakte natuurlijk geen geluid meer, maar de herinnering aan de stank ervan kon ik plotseling, nu ik op de koude bank gevangen leek te zijn door het niets, meer waarderen dan de ‘gezonde’ geur van koeienstront die onmogenlijk in een krantje weggedragen kon worden. Het lawaai en de geur van de stad gingen zoals ze gekomen waren. Die gaven me meer rust dan die alles onthullende loodzware stilte, doordrongen van een niet aflatende geur van gier. De stilte in dit park liet de tijd doorschieten. Iedere honderdste van een seconde schoot door, alsof het leven een schaatswedstrijd was. Voordat je het in de gaten had kon Magere Hein met z’n zeis voor je staan om je stopwatch onverbiddelijk tot stilstand te brengen. Ik begreep de Noorderling steeds een beetje beter; Liever vertrok ík nu namelijk direct terug naar Utrecht. “Ergens in de verte hoorde ik een trekker naderen.’Dat zouden de Noorderling en zijn vader wel eens kunnen zijn,’ dacht ik”: schrijf ik nu maar snel op, om zo snel mogenlijk een einde te maken aan dit achtste deel.

De kou trok dwars door de sjaal mijn achterste in en ik draaide met trillende vingers een sjagje in het zonnetje. Ik was niet meer zo zeker van mijn liefde voor de Noorderling . De twijfel sloeg toe.  Als ik de peuk opgerookt had, zou ik weer op huis aan gaan in totaal gespannen toestand.

(even doorspoelen naar 1:28)

Read Full Post »

Mijn moeder en Commando-Hans

“Hoi, ma, met mij.”

Hai Kaat, wacht even hoor, ik stond net m’n pillen in te nemen, ik leg je even neer.”

Is goed, ma rustig aan. Je klinkt trouwens wel lekker vrolijk!”

Wacht even hoor, ik leg je even neer en dan zoek ik meteen even m’n luchtband.”

Kalm aan, ma. Ik wacht wel even.”

(De huistelefoon beland met een droge tik op het aanrechtblad en ik hoor mijn moeder de kraan open-en dichtdraaien. Een half uur geleden belde ik al op, om te vragen hoe het vandaag was gegaan met de eerste chemokuur uit de tweede serie van drie. En of haar wond van de operatie die ze zes januari onderging inmiddels al gesloten was. Ik kreeg toen mijn vader aan de telefoon die altijd als ik bel, meteen lijkt te denken dat ik hém niet wil spreken. Pas wanneer ik duidelijk maak dat ik ook best met hem wil spreken, houd hij op mijn moeder te roepen vanuit z’n huiskantoor. Ik moest dit keer maar even terugbellen, want mijn moeder zat op de bank te praten met Mia, de ex-vriendin van Commando-Hans. De oudste vogel-vriend van mijn ouders. De telefoon werd weer opgenomen met een krassend geluid.)

Zo, ben ik weer, schat; even m’n kont boven het gaatje parkeren”

(In gedachten zie ik haar het luchtbandje op de zwarte leren bank neerleggen en achteromkijkend met de telefoon aan haar oor d’r achterste boven de opening van de opblaasdonut parkeren.)

Is je stuit nu nóg open, ma? Dat duurt allemaal wel lang, zeg.”

Ja, die stuit ligt nog open. Die extra zesde wervel hadden ze van mij samen met m’n baarmoeder en de rest er ook wel af mogen zagen. Het bot zit te dicht onder mijn huid, dus die wond gaat maar niet dicht. Nu heb ik een viltje tussen m’n reetspleet. Daar zijn ze vanmiddag met z’n tweeën mee bezig geweest in het ziekenhuis. Zie je het al voor je? Sta je daar voorover gebogen in je blote reet met je ellebogen op de wc-bril terwijl ze van de wondverzorging met overgave een viltje in je reet proberen te sjoelen, Hahaha!”

Jezus ma, hahaha!”

En nu mag je vader vanavond zo’n extra -speciaal viltje tussen de klamme handel plakken, sexy hoor!”

(Het was fijn om te horen dat mijn moeder weer haar dosis dexamethason tegen het kotsen had gekregen die, naast dat het hielp tegen braken, de prettige bijwerking had dat ze klonk alsof er van kanker in haar lijf geen sprake was. Enorme spraakwatervallen kletterden neer uit de mond van een overwinnaar. De angst voor de dood en het verdriet om de ontdekte kanker die als een bom insloegen eind September 2010, werden dan drie dagen bijzaak als zij haar dexamethason kreeg. Ik had het al paar keer eerder meegemaakt: De euforie in haar stem, als die van een atleet die al vierhonderd meter vóór de finish zijn handen van victorie met gestrekte armen de lucht inwierp. Ik hield haar niet tegen. De eerste keer dat ze plotseling zo belachelijk vrolijk was van de pillen, moest ik huilen. Bij haar thuis, verborgen op de w.c. Met de deur op slot. Nog geen dag ervoor was ze compleet in paniek. Radeloos, hopeloos en hulpeloos van de vermoeidheid. Deze stemmingswisseling brak me de eerste keer toen even op.)

Heb je je dope weer gekregen ma? Je klinkt weer helemaal vrolijk”

Ja, vandaag mag ik er zelfs twee. Morgen nog één en overmorgen ook nog eentje. Loop ik wel met een rooie kop rond; maar verder heb ik nergens last van.”

En je buikwond; is ook al mooi aan het dichtgroeien?”

Ja, je vader heeft die dertig nietjes er zelf uitgewipt. Mocht van de chirurg. Alleen aan de onderkant moet er nog zo’n vijf centimeter aanelkaar groeien. Er zit nog maar drie milimeter tussen en dan is de wond gesloten. Het ziet er wel goed uit. Het is een enorme jaap, maar dat kan me niet schelen”

Hee, ma, wat hoorde ik nou? Gaat het niet goed met Hans? Ik hoorde van pa dat Hans’  z’n ex-vriendin net bij je op bezoek was”

Tja. Mia is nu al dagen bij hem thuis. Het gaat niet goed met Hans, maar hij wil zijn huis niet uit. Hij is bang dat ze zijn toko leegroven. Z’n dochter komt ook weer ineens over de vloer. En andere vage figuren. Hans heeft overal potjes met ‘eurootjes’ in huis staan. Je weet wel hoe Hans dat dan zegt. Ouwe sjoemelaar dat hij is”

Maar wat is er met Hans aan de hand dan, ma?”

Hans ligt al een poosje thuis met levercirrose. Z’n buik is aan één kant helemaal opgezwollen, net als z’n piemel en z’n benen. En opstandig! Mensen moeten Hans ook niet dwingen of voor het blok zetten, Kaatje. Voor Hans moet je lief zijn. Met stroop smeren. Dat weet je toch?”

(Hans. Commando-Hans. Hij was al jaren een vriend van mijn ouders. Eerst was hij klant in de dierenartsenpraktijk van mijn vader. Met zijn honden, vogeltjes en vooral met zijn reptielen. Hans is een Utrechter die vroeger een commando was. Hans smokkelde ook. Hij had ‘handeltjes.’ Hij had na zijn eerste en enige gestrandde huwelijk alleen nog vriendinnen. Vrouwen die hij het huis uit tiefte en nadien moeiteloos weer zijn huisje binnenlokte met kaarslicht en rozenblaadjes. Hans wist alle Latijnse benamingen van honderden reptielen uit z’n hoofd, aaide de hond en schoot met een pompbuks de reiger op z’n schuurdak zonder pardon dwars door zijn harses. Een drinker met slanke benen, armen vol tattoeages en lange grijze pijpekrullen samengebonden met een elastiekje in zijn brede nek. Als ik als kind met mijn moeder meeging naar Hans, om een illegaal hagedisje op te halen of een exotisch gesmokkeld vogeltje, kreeg ik een glas ijskoude cola die hij voor me neerzette op een achthoekige salontafel van eikenhout en glas. De tafel was een terrarium waar piepkleine hagedisjes leefden in hun achthoekige stad onder een hemel van asbakken, glazen vieux-cola en bier. Aan de muur hing een fotorealistisch schilderij van een erecte penis die steunde op zijn kloten. Daarnaast hing in dezelfde stijl een schilderij van een romige vagina met vochtig olieverfgeschilderde schaamlippen. Ik weet nog dat ik er verlegen naar keek, als veertienjarige en dat Hans dat zag en zei;” Dat is m’n broer en m’n zuster hangt ernaast” Overal stonden terrariums met kikkertjes, salamanders, slangen en hagedissensoorten. Mijn moeder en ik vermeden het woord ‘hagedis’ en vervingen het door ‘reptielen’. Van Hans moest het óf in het Latijn, óf helemaal niet. Verder stond zijn huis vol bromelia’s, orchideeën en varens. Zijn muren hingen vol lekkere- wijvenplaatjes en oosters houtsnijwerk. In de keuken stonden twee koelkasten. Eentje gevuld met afgesloten bakken meelwormen, ontdooide eendagskuikens en fruit voor de dieren. De andere voor bier, cola en een eendagsportie mensenvoer. Zijn landschildpadden gingen tijdens de winterslaap ook de koeling in, naast de bakken van kou versufte wormen. Een jaar of tien, twaalf geleden kwam ik nog eens terecht bij Hans thuis; waarvoor precies kan ik me niet meer heugen. De Hans uit mijn voorafgaande herinnering bestond nog wel, maar anders. Hij was ouder geworden in zijn gezicht en korter van stof maar niet onvriendelijk. De zomerse tuin van toen, waar een eekhoornren stond met zes vrolijk spelende pluimstaarten erin omgeven door bloeiende planten, was nu levenloos en overgroeid met dorre brandnetels en vlijmscherpe,vruchtloze bramen-struiken. In huis rook het naar hond en er was nog maar een enkel terrarium te bewonderen. De achthoekige salontafel was vanbinnen leeg. Z’n broer en z’n zuster hingen er nog in al hun sappige glorie bij. Nu ligt Hans alleen thuis met een kapotte lever, nadat hij vorige week weigerde de ambulance in te stappen toen zijn drinkebroeders hem er met luid getier in wilden duwen. De ambulance reed zonder patiënt weg en zijn drinkebroeders verlieten uiteindelijk Hans’ huisje, een lege koelkast achter latende.)

Dat is verdomme ook wat, ma. En wat nu? Is Mia bij hem?”

Ja, Mia is bij hem. Maar hij verrekt het om zijn huis te verlaten en nu gaat Mia toch bellen voor hulp. Kaatje, de man is zo’n macho wat dat betreft. Hans moet je niet opjutten, dan gooit ie z’n kont tegen de krib”

Maar ma, als hij zo thuis blijft liggen, is hij over een week gewoon hartstikke dood”

Ik weet het. Ik durf hem niet te bellen, want dan ga ik vast huilen. Hij is ook al geel Kaat, zei Mia”

Dat is echt niet goed. Zou hij niet gewoon dood wíllen ma? Hoe oud is Hans nu eigenlijk”

M’n moeder slikt even

Hans is nu zevenenzestig. En dan denk ik; ‘ Hans, godverdomme man, doe nou niet zo koppig en laat je helpen’. Dat gezuip ook van ‘m! Terwijl hij zo’n bijzondere man is, met zoveel interesses en humor. Ik vecht toch ook tegen die kanker, ookal weet ik niet waar de ellende gaat eindigen?

Iedereen is weer anders ma. Maar je doet het goed hoor. Je gaat het redden”

Ik heb nog genoeg om voor te leven, schat; Ik wil nog zoveel”

“ Zo is dat ma. Hee, luister, wanneer komt het  jou het beste uit als ik je weer even kom helpen: zaterdag of zondag?”

Moet ik even aan je vader vragen, wacht even”

(Ze roept naar boven waar m’n vader in z’n kantoor zit of hij ‘nou zaterdag of zondag naar de curiosamarkt wilde gaan.(M’n vader gaat zaterdag naar de curiosamarkt hoor ik hem terugroepen.)

Kaat, hij gaat zaterdag naar de curiosamarkt, dus als jullie zondag komen is het het beste”

Is goed ma, dan komen we zondag, trek ik even de stofzuiger door het huis”

Fijn dat je even belde, Kaat. Ik hou van je”

Ik hou ook van jou, ma, tot zondag hé?”

Tot zondag!”

Doeg!”

Dag!”

Ik druk op de rode knop van m’n mobiel en leg deze naast m’n computer voordat ik een slok van m’n lauwe bak koffie neem en het geluid van de televisie weer inschakel. Ik zie Commando-Hans en het gezicht van mijn moeder in gedachten ineengeschoven voor me verschijnen.


Hans Verhoef is overleden op zaterdag 19 Maart 2011


Read Full Post »

Older Posts »