Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘erfenis’

IK en ZIJ : deel 2

Het water droop van de bladeren en de druppels vielen in het water en in het water ontstonden kringen. De vissen zwommen opgewonden naar de oppervlakte en hapten naar niets. Ik zat op een houten tuinstoel uit de zon, met mijn handen in het haar en ZIJ voerde de vissen. Ze gooide de groene en rode bolletjes in de waterstraal die door een buis uit het vijverfilter terug de vijver in liep. De waterkracht duwde de voerbolletjes onder water . De elritsen zwommen vanuit de diepte tegen de stroming van de straal in en de goudvissen strekten hun lippen uit als trompetjes. Soms hapten ze mis, of spuugden een bolletje terug. Vissekauwen noemde ik dat. In het ondiepe gedeelte van het kleine vijvertje zat een kikkerpaar in de modderige pot waaruit de miniatuurwaterlelie groeide. Eén van de twee knipperde met een oog en de andere kroop iets verder de modder in van de bedreigende mensenblik.Ze liet het laatste voer in het water vallen en toen werden zij en ik MIJ.

ZIJ was vertrokken.

Ik belde mijn moeder met trillende handen op om haar met het nieuws te verrassen. Ma haatte haar ex-man tot op het bot. De haat was niet versleten, dertig jaar nadat ze na tien jaar huwelijk van hem scheidde. De haat reed, als het de kans kreeg, als een hoogglanzende rode Ferrari uit de haatgarage, plankgas de haatbaan op. Zij had gewonnen, want hij was dood en zij kankervrij: Hoera! Ze zei dat niet en bleef beleefd door te zeggen dat ze het erg voor mij vond. En misschien…heel misschien, vond ze het ook wel ‘gewoon’ erg. Ze had wél een hart. Toch. Huilen deed ik niet, de schok van de boodschap van mijn vaders overlijden leek meer op een veenbrand met veel rook, gesmeul en geknetter. Daar heb je oxazepam voor, voor veenbranden. En een glaasje water. En een bank. En een borrel. Het kon er allemaal nog wel bij. Nu is dát in ieder geval achter de rug, dacht ik. Hij is éérst gegaan. Er komen geen vragen meer bij en ik hoef me nooit meer zorgen te maken of er een formule bestaat waardoor mijn vader en ik op één of andere manier nog op een harmonieuze manier een halfbakken relatie kunnen aangaan. Het was stuk en het bleef stuk tussen ons. En nu bleef het voor altijd stuk. Tot die conclusie was ik al gekomen, op twee maanden na een jaar eerder, in 2010. Toen ik hem voor het laatst sprak aan de telefoon.

 Drie avonden voordat ik mijn vader voor het laatst in leven sprak aan de telefoon, in 2010, belde mijn andereVader, Bas, mij op om te vertellen dat er eierstokkanker was gediagnosticeerd bij mijn moeder en dat mijn moeder in totale paniek verkeerde. Geen leven hebben en toch bang zijn om te sterven: vreemd eigenlijk om zoiets te denken van andermans leven. Het is ook maar een mening, om een leven urgent te vinden of waardeloos. Maar doodsbang was ze. Aan mijn kant van het bed lag in de volgende ochtend een tapijtje van volgesnoten, natte papieren zakdoekjes. Met opgezwollen oogleden en een bonkende hoofdpijn sleepte ik me de dag door. De contactlenzen bleven in het doosje en het iedereenmontuur stond de hele dag op de neus. De verdere dag bestond uit telefoneren met mama. Over hoop en vrees. Mijn moeder werd tijdens het gesprek een kind en ik werd moeder; ze werd klein en ik werd groot. Ze jammerde van ellende en ongeloof en vertelde van de vijf liter bruine prut die ze in het ziekenhuis via een buis uit haar buikholte hadden laten lopen. Ze wilde op schoot en boterhammen eten zonder korst. Ze wilde plotseling weer alles wat een leven mooi kan maken. Mijn handen waren koud en mijn rug was klam van ellende en onzekerheid over hoe deze ziekte zich zou ontplooien. Hoe ik haar kon helpen? Het idee dat ik mijn moeder zou gaan verliezen. Voor altijd. Het kwam in zicht, het einde en de misschien de oplossing: Misschien zou ik nu dan eindelijk mijn moeders kwetsbaarheid zien en zou ik een grote meid van veertig worden, in haar ogen. Ik vroeg en vraag me alleen nog steeds af waarom dat pas lijkt te kunnen bij ziekte of een goeie sterfpartij. Dat het dan wél kan, of zou kunnen. Dat de wil er dan wel is. Allerlei herinneringen van voorvallen en gebeurtenissen uit het verre verleden, schoten als paddestoelen uit mijn brein door al die hete tranen. Na het derde telefoongesprek die dag, beloofde ik haar dat ik haar de volgende dag weer zou bellen en we vertelden elkaar, voordat we elkaar wegdrukten, dat we van elkaar hielden

Rond vijven schonk ik een bel witte wijn in en kookte mijn man een pan rode spaghettisaus. Mijn dochter keek van beeldbuis naar haar moeder en toch maar weer naar de beeldbuis. Er lag zand op de vloer en de kattenharen lagen als struikjes op de bank. ZIJ had de stofzuiger laten staan. ZIJ was vergeten te eten. Een mooie Septemberdag was verzopen in de zorgen van morgen.

De volgende dag stond ik om half acht ’s ochtends bij de huisarts op de stoep. Na weer een nacht vol paniekgedachten en huilbuien om dingen die nog lang niet van toepassing waren, besefte ik dat slapeloosheid me zou gaan nekken. Ik kreeg 10 tabletjes oxazepam voorgeschreven voor de nacht, als inslaper. En dat hielp me in inderdaad uitstekend om mijn rust te kunnen pakken. Eentje voor het slapen gaan na het tandenpoetsen. De loomheid sloeg toe na ongeveer een half uur en de volgende dag werd ik uitgerust wakker tegen mijn man aangeplakt, als een bange aap hangend aan z’n mammie. Het spervuur van nog niet ter zake doende horrorscenario’s takke-takke-takte er na het waken zo goed als direct weer lustig op los.

Ik had er maar tien. Tien witte pilletjes. Dus overdag liet ik de wanhoop maar op z’n beloop en snakte ik weer naar het uur dat ik even kon ontsnappen aan de angst. Naar de Nacht. Niet mijn moeder eerst- NietmijnMOEDEReerstpiekeren, tanden poetsen, pilletje slikken het bed in en dan ongemerkt wegzeilen. . . in een droomloze slaap.


Read Full Post »

ZIJ en IK : deel1

Nadat ze haar beddengoed een paar uren aan de rumoerige, frisse straatlucht had laten luchten, sloot ze het raam met een klap. De overbuurvrouw had haar kerstboomlampjes al ontstoken, zag ze, net voordat ze de plisségordijnen liet zakken. Ze schudde de kussens op. De slaapkamer zag er rommelig uit door opgestapelde dozen en rijen lijsten die tegen de wand aanleunden. De boekenkast die zo groot leek in de winkel, maar er nu hier toch volgepropt uitzag, stoorde haar ook. De kleur van de muren stond haar tegen en één van de ruitjes van de deur was ook al tien jaar afwezig vanwege een woedend momentje.

Ze sloeg het zware, wollen winterdek open en trok het strak over het matras. Ze tilde het matras aan het voeteneind omhoog en stopte de sloop er weer netjes onder. Zij is Ik en Ik ben Zij. Ik kijk weleens naar haar, als ze zo loopt te stampen door het huis wanneer iedereen van het gezin, behalve zij, naar school of naar het werk is vertrokken.Wij roken altijd samen sigaretten in de ochtend en drinken wijn in de avond. Als wij, ik en zij, samen Mij zijn, dan hebben we toch weer een stap voorwaarts gedaan

Zij loopt op blote voeten met natte haren weg uit de slaapkamer en vult de closetrolhouder bij met verse, goedkope, maar zachte rollen wc papier. Ze drukt zonder haar behoefte te hebben gedaan de grotebehoefte-knop in. Die naast de kleinebehoefte-knop. Gewoon nog even dat kleine stukje stront wegspoelen dat daar nog zo’n beetje met z’n laatste krachten aan het glazuur kleefde. “Niet mijn stront”, dacht ze, en glimlachte. Verder zag de badkamer er ordelijk uit, vond ze, na een snelle inspecterende rondgang van haar ogen. Ze ging op de pleebril zitten en trok haar sokken aan.

Ze liep weer naar de slaapkamer en schoof drie dozen aan de kant zodat ze de boeken van de onderste plank te pakken kon krijgen. Ik kreeg de boeken die ik vond in de verlaten flat van mijn overleden vader niet uit mijn gedachten. Zij vertrok en ik bleef over met besokte voeten achter op de plankenvloer. Ik tilde de dagboeken van mijn vader er per drie uit, ze waren zwaar en roken nog een beetje naar het gif dat ik er eind Juli op had gespoten. (Toen alle bladeren nog aan de bomen zaten en de bladluizen nog gulzig dronken van de rozenknoppen in de tuin, ontdekte ik hele kleine, snelle beestjes tussen de bladzijden.) Vanaf het jaartal 1995 tot en met 2011 had ik de dagboeken van mijn vader in mijn bezit. De jaartallen 1997, 1998 en 1999 lagen in een locker, op het politiebureau in Utrecht. Een aantal weken geleden belde ik de desbetreffende resercheur die ik eind Juli had gesproken op, om te vragen of de boeken wel veilig waren én of hij er al iets mee gedaan had. De boeken zijn veilig en ongemoeid gelaten, zoals verwacht. Ik drukte hem op het hart dat ik hoopte dat hij er voorzichtig mee zou omspringen en dat beloofde hij.

Ik legde de boeken op volgorde op mijn bed en keek ernaar. Lange, rechthoekige werkagenda’s. Sommigen beplakt met dun karton om de kaft te beschermen tijdens gebruik. In het begin nam hij ze mee op zijn tochten door Nederland, later niet meer. Ook dat is te lezen. Alles is te lezen. Alle dagboeken, behalve de drie dagboeken die ik nu tijdelijk niet in mijn bezit heb, hebben hetzelfde formaat. Groot en log en inhoudelijk vol. Zo verschrikkelijk vol. Met alles en niets.

Ik begon opnieuw in het laatste dagboek te lezen. Op de laatste dag die hij zijn leven van uur tot uur beschreef in notaties. De laatste notaties die ik al tientallen keren had gelezen. Het boek dat opengeslagen op een mahoniehouten tafel lag onder het licht van een halogeenlamp met een IKEAlabel aan het snoer. Naast een overvolle asbak, waar de regelmatig gedraaide peuken rechtop gestoken stonden in circelvorm, in een laag anijsgeurend schelpenzand. Ergens, in een seniorenflat.

24 Juni 2011

12:05  Wakker •Opstaan• PLPL

12:55  Gegeten: 1 bh. Kuikenfilet / grill

              Echt smerig/ weg

              1bh. Jam

              Sap van: 2 Sinaasappelen

13:05   Gewassen en aangekleed

               25 Juni uitlijnen

               Ik heb het koud

14:35   Stoppen met krassen. Ik beef als een riet.

15:10   ’n Paracetamol 500 en plat

16:20   Wakker •Opstaan• Krassen

               Klaar ∞ (symbool voor ‘klaar met uitlijnen’ voor 25 juni)

16:45   Klaar∞ (symbool voor klaar met krassen= schrijven)

              Shaggie

              NDR | Kielerwoche

18:15   Shaggie

Na een weekend dat geteisterd werd door een hittegolf werd ik gebeld door een agent met een ernstig klinkende stem. Het was op woensdag, negenentwintig Juni dat hij samen met een collega een lichaam naast een bed op klossen vond, in een flat met gesloten ramen.Waarschijnlijk hield hij zijn wijsvinger onder de laatste notitie op het papier van het achtergelaten dagboek onder het woord ‘Shaggie’, toen hij me vertelde dat mijn vader vermoedelijk al vier dagen lag te ontbinden.

Ik voelde mijn hart bonzen en mijn knieën week worden. ZIJ verdween de tuin in om de planten te sproeien. Gewoon, verder gaan met waar wij mee bezig waren.

Read Full Post »


Als ik weer aan jullie denk terwijl ik crackers knaag

Stromen de waterlanders dampend neder

Na het bloedeloos dorren komt de dood zo traag

Sterf!

Gelijk een onmachtig kleuter sta ik hier

En ik droog mijn tranen snel

Met stukjes dolfijnbedrukt keukenpapier

Read Full Post »

Een

doos

vol

neuzen

tussen

oren

en

brillen

voor

ogen

haren

op

koppen

van

kinderen

mannen

en

vrouwen

 

familie

kiekjes

en

toch

een

doos

vol

vreemden

 

Read Full Post »

Omdat het vaders laatste wens was in een handgeschreven document, werd aan zijn wens tegemoet gekomen met onuitgesproken weerstand. Met de laatste wens van een overledene viel immers niet te spotten.

Na vijfenzestig jaren schepen verbranden waren al zijn zwavelstokken verstreken en viel er niets meer te verkolen. Het vuur keerde zich tegen zijn lichaam en na nog eens zes jaren verzette hij zich niet meer. Hij viel tenslotte in eenzaamheid naast zijn nest en werd niet meer wakker

De superster van zijn eigen groteske toneelstuk bleef nu achter in z’n krappe houten kist op het podium van de zaal waar de nabestaanden in bezit werden genomen door diep verdriet, stuitende verbazing en ingehouden woede. Samen zagen ze zijn allerlaatste vlammetje doven. Daar waar zij luisterden naar de klanken van zijn lievelings-CD en surrealistische toespraken. De leugens uit zijn leven verdeelden de drommen en iedereen weet dan wat de waarheid is, nietwaar?

Een zaal gevuld met lege stoelen.Voorin een paar rijen bezet met treurende schepen met gehesen zeilen aan glanzende masten. Achterin zaten en een paar wrakken van verstild zwartgeblakerd eikenhout. Het houtskool was al dood of niet aanwezig. De één streelde de kist en plakte een handzoen op het hout boven het lijk voordat ze de zaal uitliepen. De ander schold vanuit de tenen met hete tranen om wat nooit meer ongedaan of zachter kon worden gemaakt.

De koffiekamer werd na de plechtigheid verdeeld in twee kampen, er was ruimschoots plaats voor dertig man waar er wel honderd konden vertoeven. Sommigen sloegen de koffie en het saucijzenbroodjes af. Ze gaven de dochter een hand zonder te condoleren, om vervolgens huiswaards af te koersen. Dat was namelijk haar wens die tot stand was gekomen uit een gebrek aan rouw, het uitblijven van een gedeeld leven met haar vader en de puinhopen die hij achterliet in de levens van anderen die nu niet aanwezig waren. Condoleren na een crematie is niet altijd een vorm van medeleven met de nabestaanden. Toendertijd was het haar stelling waar slechts acht mensen het respect voor konden opbrengen. Van de overigen kreeg ze misprijzende blikken, vuil geloer en gesis.

De laatste wens van de dode werd druk en gulzig ingenomen. ‘Er mag gelachen en gedronken worden; ‘Bier en wijn moet aanwezig zijn na de plechtigheid’, schreef hij immers op geruit papier toen zijn hart het leven nog door zijn lichaam heen pompte. Een aantal dagen voor de crematie gaf zijn dochter de uitvaartverzorger toestemming om aan die wens tegemoet te komen. Datgene te laten serveren waardoor hij een leven lang niet in staat was een andere fout te maken, dan steeds weer dezelfde.

Dat zou de dode leuk vinden.

En ze dronken niet, maar ze zopen alsof de dood hen op de hielen zat: Gratis! Op zeshonderd euro extra-tempo Met de bierfles in de hand liepen ze losjes langs de respectloze dochter en haar familie naar buiten om voor het crematorium te kunnen roken. Daar waar de nabestaanden van een nieuw te cremeren overledene nog even moesten wachten tot ze naar binnen mochten van de raven. Met alle respect; Het getinkel van glas en het hardop lachen om een schuine mop, zou ze vast opvrolijken. Met lege flessen liepen ze weer naar binnen voor een nieuw flesje medeleven en zetelden de getreurden weer naast hun klessebessende mokkel met het halfvolle wijnglas in haar hand. Ze kletsten en staarden, na wat ze onhoorbaar elkaar vertelden, de kant op van de consumptielozen. Namen er nóg eentje, met een diep gevoel van eerbetoon.Voor de dode.

De serveerster serveerde en het kind van de overledene keek naar de wijzers van de klok.

Ook aan de wensen van een overledene komt namelijk altijd een einde, dacht ze.

 

Read Full Post »

 

Read Full Post »

Erfstiften 1 : ‘Einde’

Read Full Post »