Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Sprookjes uit het Noorden’ Category

‘Stilte’

Zo liep ik door dat niets verhullende park. Een IKEA-park uit een grote kartonnen doos met een zakje schroefjes en een inbussleuteltje erbij geleverd. Babyberken met witte schilferige stammetjes. Aan de voet van ieder boompje staken voedingspijpen uit de grond waar ik het liefst even in had getuft. Nu werk ik me als hobbyverteller toch behoorlijk in de nesten. Want hoe krijg ik dit achtste deel lezenswaardig, doordat ik me net dit kale plantsoen heb ingeschreven? De Winter was nog niet helemaal voorbij en toch leek de Lente nog ver weg doordat de sloten gevuld waren met donker, schijnbaar levenloos water waar nog geen eend in zwom, laat staan een leuk baltsend stel futen. De bomen waren kaal en de eindeloos uitgestrekte aardappelvelden die je vanuit het park makkelijk kon zien leken grote, donkere dekens van klei. De zon deed het water dat in de geulen van de bewerkte grond was blijven staan iets glinsteren. Als ik m’n ogen dichtkneep werd ieder glittertje verdrievoudigd. Dat was wel zo ongeveer het enige carnavaleske aspect van dit Groninger landschap dat ik ontdekken kon. Grasvlakten, akkers en paden. Houten banken en een grote rechthoekige vijver.

Nu zou ik mezelf op een bankje gaan kunnen zitten schrijven, wat ik in werkelijkheid ook deed. Maar wat dan te beschrijven? Dat de lucht boven Ulrum strak blauw was? Dat er geen wolk te bekennen was waar je een zeemeermin of een hobbelpaard in had kunnen herkennen? Een dood moment, midden op de dag. Allemaal kostbare tijd die je zomaar aan je voorbij laat tikken. Inmiddels had ik al wel op de vochtige planken plaatsgenomen, al verwachtte ik geen bus of ander ongeluk. Van mijn sjaal had ik een kussentje gevouwen om op te zitten. Dat vouwen van wol gaf zelfs geluid in de stilte hier en dat begon me behoorlijk dwars te zitten. -Het kapotgeschreven bewonderen van de stilte, de liefde voor de eenvoud en de schoonheid van het zuivere, het kale en het pure ligt op de loer-. In mijn schoenen kromden mijn tenen en mijn eigen tandengeknars werd zelfs hoorbaar. De Noorderling klaagde vaak over de moeite die hij soms had met het geouwehoer van de mensen op het terras van het café in het centrum waar hij boven woonde. Zelf woonde ik er inmiddels ook half, wegens de non-stop oorlog die ik toen thuis had met mijn ouders. Het kapotvallen van bierglazen op de stenen en mensen die tegelijkertijd hard in de lach schoten om iets dat werd gezegt door één van hen. Schuivende terrasstoelen en de muziek uit een CD- spelende Wurlitzer die naar zijn smaak áltijd te hard stond. Zelf vond ik het rumoer spannend en gezellig. Eigenlijk kon ik maar weinig begrip opbrengen voor het geklaag van de Noorderling. Ik lag ’s avonds graag in bad met mijn oren onder water. Dan kon ik de gasten beneden in het café soms bijna letterlijk verstaan. Luistervinken bij het open venster in de zomer vond ik een sport. Soms herkende ik een stem van een bekende, dan pakte ik de sleutels en stak vijfentwintig gulden in mijn zak om zelf een paar uur plezier te gaan zitten maken onder mijn eigen ramen. De levendige herrie in de vroegte van de rammelende fietsen, waarop de katerige studenten ’s ochtends de dag in trapten. De stationair lopende vrachtwagens van bierbrouwerijen, de luidruchtige mannen van de brandweerkazerne, het winkelende publiek, het klikken van de hakken onder de hielen van haastige dameskuiten en het loeien van die ene dakloze psychiatrische patient. De drol van een junk op een krantje in het portiek bij de voordeur. Die drol maakte natuurlijk geen geluid meer, maar de herinnering aan de stank ervan kon ik plotseling, nu ik op de koude bank gevangen leek te zijn door het niets, meer waarderen dan de ‘gezonde’ geur van koeienstront die onmogenlijk in een krantje weggedragen kon worden. Het lawaai en de geur van de stad gingen zoals ze gekomen waren. Die gaven me meer rust dan die alles onthullende loodzware stilte, doordrongen van een niet aflatende geur van gier. De stilte in dit park liet de tijd doorschieten. Iedere honderdste van een seconde schoot door, alsof het leven een schaatswedstrijd was. Voordat je het in de gaten had kon Magere Hein met z’n zeis voor je staan om je stopwatch onverbiddelijk tot stilstand te brengen. Ik begreep de Noorderling steeds een beetje beter; Liever vertrok ík nu namelijk direct terug naar Utrecht. “Ergens in de verte hoorde ik een trekker naderen.’Dat zouden de Noorderling en zijn vader wel eens kunnen zijn,’ dacht ik”: schrijf ik nu maar snel op, om zo snel mogenlijk een einde te maken aan dit achtste deel.

De kou trok dwars door de sjaal mijn achterste in en ik draaide met trillende vingers een sjagje in het zonnetje. Ik was niet meer zo zeker van mijn liefde voor de Noorderling . De twijfel sloeg toe.  Als ik de peuk opgerookt had, zou ik weer op huis aan gaan in totaal gespannen toestand.

(even doorspoelen naar 1:28)

Read Full Post »

‘Alleen’

 

 

 

Boven op zijn vla stortte hij een opengescheurd zakje medicijn leeg. Het droge poeder verdeelde hij zachtjes met de bolle kant van zijn lepel over de lichtgele, zoete, lobbige plas in zijn zorgvuldig afgelikte bord. Daarna roerde hij het poeder luidruchtig door het toetje heen en lepelde het mengsel langzaam met de lepel in een vuistgreep naar binnen. Harko zou na het eten samen met de Noorderling op de oude trekker langs de huizen rijden om daar oud brood en schillen op te halen. Harko stond, zo begreep ik, bekend als een soort Ulrummer schillenboer. Er werden maar weinig schillen gecollecteerd; het overgrote deel van de buit bestond uit oud brood. Nadat hij jaren werkzaam was geweest bij de Nederlandse Gasunie en daar werd afgekeurd nadat hij chronisch ziek werd, kon hij toch niet helemaal stil blijven zitten. Zo bezat hij inmiddels vier koeien, twee Shetland pony’s, schapen, een paar kippen, een stuk of wat dwerggeiten en een hele lelijke kip, namelijk een kalkoen. Het gevogelte scharrelde om een schamel nachthok heen tussen een slappe afrastering van gaas op een modderig kaalgepikt landje achter de winterdorre bloementuin van Aafke. De pony’s stonden op tien minuten afstand wandelen vanaf het huis, de schapen stonden er door prikkeldraad gescheiden naast. De grond waarop de pony’s en de schapen graasden, huurde Harko voor een klein bedrag van een dorpsgenoot die verder toch niets met het stukje grond deed of van plan was te gaan doen. ‘Ruimte over hebben’ is heel goed mogelijk op het Groningse platteland. De koeien en de geiten stonden in de kleine stal die verborgen was achter één van de vier deuren in de bijkeuken. Zo nu en dan bracht hij één koe naar de veemarkt in ruil voor een pink. Dat leverde hem een uitstapje naar Noordhorn en een beetje geld extra op. De dieren hielden Harko op de been in ruil voor oud brood en goedkoop voer. Vroeg uit bed en laat onder de wol. Tussen ontwaken en slapen voerde, molk, at en bad Harko. Dit alles op vaste tijden, geen minuut te vroeg en geen seconde te laat.

Na het afruimen van de tafel begon Aafke met haar vuurvaste handen aan de afwas. Henderik en ik droogden de borden, het bestek en de pannen. Harko en de Noorderling vertrokken ronkend met de trekker die een gore, korstige, oude aanhangwagen met zich mee liet denderen door- en langs dit dooie dorp. De kolossale alleenheersende stilte slokte de herrie moeiteloos op. Al gauw nam het geluid van de wind die door de takken en langs de muren blies, weer een parate houding aan. Af en toe hoorde je een vogelgeluid en een enkele keer het aanzwellende en wegstervende geluid van een Ford Scorpio of een Opel Astra. Iedereen leek gekozen te hebben voor een Opel Astra of een Ford Scorpio in deze omgeving. Vaak ook nog eens in één of andere nietszeggende kleur. Als je geluk had was er soms eentje te bewonderen; na aankoop versierd met een spoiler die ze er in de autofabriek waren vergeten op te zetten. Hoe een bederver je autootje tot iets beters en mooiers kan maken, is me altijd een groot raadsel gebleven. ‘Enkel glas kan maar met moeite een geheimpje bewaren’, bedacht ik me en ik schreef met de punt van m’n natte theedoek een ‘B’ op het keukenraam voordat ik hem aan de haak te drogen hing. De borden, het bestek en de pannen stonden warm in hun koude kasten. De teil stond afgespoeld op de grond naast het fornhuis.

Aafke, ik ga even een blokje om, even een stukje lopen!”riep ik. Vanuit de bijkeuken liep ik met mijn jas al aan nog even naar haar toe. Even verderop moest ik rechts de weg afgaan, vertelde ze. Langs dat pad was een mooi parkje dat de gemeente nog niet zo lang geleden had laten aanleggen. Het was wel even de moeite waard om daar doorheen te lopen, vertelde ze. Zelf ging ze wat lezen. Ze draaide de transistorradio op de vensterbank met een knip aan en pakte haar boek. Jan Pelleboer voorspelde met een lichte kraak in zijn stem dat men de komende dagen mooi, aan Lente grenzend weer mocht verwachten. Daarna klonk er een Nederlandstalig lied uit de radio dat ik nooit eerder hoorde.

Het was zaterdagmiddag rond een uur of half drie en iedereen was nu alleen. Aafke met haar streekroman. Henderik met AC/DC en de Noorderling met zijn vader die wel iets zei, maar nooit sprak. Harko met de Here en ik met mijn sigaret, die meer werd opgerookt door de wind dan door mij. Zo kuierde ik over de lineaalrechte paden die door het gras liepen in een nawinters park; Een veld waarop koeien ooit eindeloos massieve stralen dampende schijt loslieten, nu beplant met jonge boompjes en bezaaid met splinternieuwe houten banken.

 

Read Full Post »

Warme lunch’

Dat is toch altijd even schrikken wanneer er op de badkamerdeur geklopt wordt, als je er onder de douche neerbuigende gedachten op nahoud over je schoonfamilie. Hetzelfde gastgezin dat jou voorziet van het neerstortende verkwikkende water dat je weer doet opleven. Het geklop hield aan. ‘ Zal je net zien dat er ééntje achter de deur een drukje staat op te houden,’ dacht ik. Maar het viel mee. “ Biep, schiet je een beetje op? Ma is bijna klaar met koken en we gaan straks eten.” (Ik wist niet dat ik al zo lang onder de douche stond dat er in de keuken al wat gaargebraden werd.) “ Hoe bedoel je, koken?”antwoorde ik. De Noordeling gaf me nog een uurtje voor mijn kapsel en het opverven van m’n snoetje, daarna werd er warm gegeten. Toen nog nooit eerder gedaan in mijn leven, een warme prak nuttigen bij daglicht. Eerlijk gezegd was ik er niet kapot van, van dit plan. Maar goed, je past je aan en draait het water uit.

In de keuken waren de ruiten beslagen. Aafke stond er de runderlappen te draaien en de piepers te prikken met dezelfde vleesvork. Terwijl ik stippen dagcreme verdeelde over m’n gezicht, maakten we zo een praatje. “ Lekker geslapen?” Lekker geslapen. “ Mooi weer buiten, niet?” Mooi weer buiten. “Ruikt lekker, dat vlees; uien in de jus?” Uien in de jus. “Abortus?” Aafke keek even opzij, maar gaf geen antwoord. Ze prikte vervolgens (hoe toepasselijk) de boontjes die allemaal nog ongaar waren. De avond ervoor had ik op de eiken wandkast in de voorkamer een metalen speldje zien liggen. Een broche van zilver in de vorm van een opgerolde foetus. Leuk om op je bloesje te prikken bij feestelijke gelegenheden. Voordat ik het die avond van de kast pakte, had het m’n aandacht gegrepen. Er was immers niet veel glans te bekennen in dit huis. Toen ik eenmaal de broche bekeek, zonk de moed hardop vragen hierover te willen stellen in mijn schoenen. Het leek me dan ook beter om nu de conversatie in de keuken ook maar te staken, de vrouw had het al moeilijk genoeg. Dus pakte ik de bezemsteel met het B.B-geruite tafelzijl en begon maar eens met tafeldekken. Drie treefjes voor de aardappelen, de groenten en het vlees. De groene, glazen borden en het bestek.

Wederom werd er begonnen met een gebed, dit keer rond dampende pannen en de geur van draadjesvlees en kruidnagelen. De Noorderling sloeg zijn handpalmen weer tegenelkaar als één of andere heiligverklaarde capucijn, waarvoor ik hem onder de tafel door even een klein schopje tegen zijn scheenbeen gaf. Zijn ogen schoten open, eventjes. Toch sloot hij ze weer. ‘Volgende keer harder trappen,’ dacht ik, terwijl ik naar buiten keek. Het moest buiten heerlijk zijn. De zon scheen en de winter liep op z’n einde. In het kale bloementuintje van Aafke stonden al pollen sneeuwklokjes uit te bloeien en de knoppen van de bomen en de struiken werden al bol en roodbruin.

We aten. Het viel me erg mee, dat warme eten op de dag, want het smaakte me prima. Zij aten zonder mes. Zelf at ik met mes en vork. Onder de ogen van Henderik schoof ik geprakte aardappel met mijn mes op de vork. Hij keek naar mij alsof ik met stokjes at. Nadat er twee maal was opgeschept en de borden weer leger werden, begon er een oorverdovend geschraap. Alsof God zelf de bliksem in zou laten slaan, als er nog een kruimel achter zou blijven op de borden. Wat een toestand. Na het schrapen werd er een aanslag gepleegd op mijn realiteitszin doordat Harko, Aafke en Henderik de borden opnamen en deze begonnen af te likken als huisdieren. Harko zat aan de kop van de tafel, recht tegenover mij. Door het glas van zijn groene bord zag ik zijn vervormde gezicht en gleed zijn tong over het bord als een lustige reuzenslak. Een soort aquariumstaren voor gevorderden. Als ik toen mijn spierballen had laten rollen en m’n kleren zou hebben afgeworpen, zou ik in de ogen van Harko op een Hulk met borstjes hebben geleken. Je dagdroomt wat af.

Alle bordschraap- en lik inspanningen waren goed voor één ding; Oók de vla moest in hetzelfde bord zonder dat de waarneming van vanille bedorven zou worden door de smaak van jus-resten. Met de schrik nog in mijn lijf , die ik zorgvuldig verborg uit fatsoen, vroeg ik om een schaaltje voor de vanillevla van de Noorderling en van mijzelf . Zo geruisloos mogelijk schepte ik de vla vanuit het schaaltje mijn mond in, en merkte dat ik ernstig behoefte kreeg aan frisse buitenlucht.

Het werd hoog tijd voor een wandelingetje.


Read Full Post »

‘Douchen’

Met koffie in een theeglas in mijn rechterhand en een plak beboterde oudewijvenkoek in de linker, hield ik me maar even gedeisd. Volgens mij werd het niet echt gewaardeerd dat ik me als ‘stadse’ zomaar even hardop en iets te vrolijk tot Christus had gericht. Beetje raar, want Henderik zat in het aangezicht van de Lijdende uit te freaken op Slayer. (Alsof Jezus dát wel kon waarderen) Slayer’s Slaughterhouse deed Henderik headbangen in zijn shirt bij de Akai stereo, platkontzittend op de Heuga tapijttegels in een goedgevulde onderboxem. Overal lagen die dingen, die tapijttegels. Van die donkergroene met een twist erin. Behalve in de keuken; daar lag vinyl met een marmerprintje, ‘haast niet van het werkelijke gesteente te onderscheiden’. Toen mijn koffie en de koek op was, rommelde ik wat in de weekendtas, op zoek naar schoon ondergoed, sokken, de tandenborstel en een ander shirt dan dat ik gisteren droeg. Ik maakte er een stapeltje van, boven op de handdoek en het washandje dat ik de avond daar voor van Aafke kreeg. Waarschijnlijk was het badgoed uit gelukkiger tijden.

Het verwassen bloemdessin op de handdoek van Aafke leek op een dor boeket. Het washandje, ooit wit en van mollig katoen vervaardigd, was nu grijs en dun. De handdoek moest wat nat was nog drogen. In het washandje moest nu alleen nog maar een handje passen. Op blote voeten liep ik van voor-naar achterkamer, door de keuken de bijkeuken in, zó door naar de badkamer. Het was een witbetegelde, schone ruimte van twee- bij vier meter, met een ijzige granito vloer. Behoedzamer dan dat ik hem opende, sloot ik de deur achter me vanwege de helle acoustiek binnen, die aan het geluid van een lege slachthal deed denken. Er was een toilet met houten bril, een eenvoudige keramieken wastafel met een verweerde spiegel erboven en een koperen doucheputje in de hoek van de granitovloer verzonken. Aan de muur hing een iel douchegarnituur. Aan een aluminium buis, geklemd tussen twee wanden, hing een enorm plastieken spatscherm. Boven de badkamerdeur was een electrische straalkachel, die ik vanwege de ellendige kou direct aanklikte door een kort rukje aan een koordje te geven. Aan het einde van het kachelkoordje hing een rode houten kraal. Dat rukte fijn. Het stapeltje kleding legde samen met m’n ochtendpak ik in de veiligste hoek, waar de nattigheid niet kon komen. Ten slotte ging ik snel op de behaaglijke houten toiletbril zitten met m’n voeten van de vloer. Het plassen faalde hierdoor. ‘Een Nederlands Hervormde Koelcel, bedoeld om je erin te Reinigen, maar Primair om erin te Lijden’.

‘Ik pis wel onder de douche’, dacht ik toen ik de kranen open draaide. Onverwacht stroomde er een ferme douchestraal uit de kop. Warm water waste m’n plas de put in. “Kut,” mompelde ik vanuit de damp. De shampoo en de douchegel was ik vergeten mee te nemen; nu moest ik gebruik maken van de fles Timotei en de inhoud van dat mystieke zeepdoosje op de vloer. Het water kletterde op een lichtgroen zeepdoosje met deksel. Na het openen zag ik een half opgebruikt stuk kleur- en geurloze zeep met krulhaar erin en stukjes ‘Brinta’ op het wasvlak in het doosje kwijlen. Die tablet was menigmaal door de naad van Harko heen- en weer gefietst. De deksel ging er mooi weer op. Op mijn washandje kneep ik een joekel van een koude klodder Timotei shampoo. Langzaam schreef ik er met mijn vinger de letter ‘B’ in, voordat ik me van onder tot boven inschuimde. Ondertussen dacht ik aan de gezellige, schaamteloze schiettent die mijn moeder van haar badkamer had weten te maken; stampvol flesjes en potjes. De vaas met pauwenveren op de wasmachine en de varen op de kast vol dikke, naar wasverzachter ruikende badhanddoeken. De zwoele warmte van de radiator. Lavendelgeur. ’t Badmatje.

Zo bleef ik verrimpelen onder stomend Gronings klaterwater tot er voorzichtig, maar met klem op de deur geklopt werd.


Read Full Post »

‘Half tien’

Het was niet te zeggen hoe laat het inmiddels al was toen ik wakker werd in de vreemde kamer, in het vreemde bed naast die vreemde Noorderling. Het licht dat door het verschoten oranje gordijntje scheen, liet een vrolijke oranje gloed achter op mijn huid. Ik wist zeker dat de hemel buiten blauw zou zijn; een nieuwe dag in het paradijs! Vandaag zou ik de naam van De Heer minder misbruiken. Een klein gebaar met grootse gevolgen…lam Gods dat ik er was.

De Noorderling werd nu ook kreunend wakker en keek verliefderig naar me op. Het was net een sprookje. We zoenden een beetje en het werd weer iets warmer onder het polyester. Dat was allemaal prachtig, maar ik had in werkelijkheid wél gewoon honger. Toen sloeg hij het dekbed van z’n lichaam af. “Gelukkig,” dacht ik een seconde. Tot hij plotseling op zijn knieën ging zitten als een klein, wit, pluizig hondje en een speelse blik naar achteren wierp. Hij zei :” Sla me eens op m’n billen, Biep.”

Dat was óók alweer zo’n onverwacht bevel.( Sado Masochisme!? Wat had hij godverdomme nu weer op t.v. bekeken?) Net achttien was ik. Mijn toekomstbeeld was plotseling vervuld van het gerinkel van ijzeren kettingen, roestvrijstalen kooien en schandpalen. Ingewikkelde stellages, bevestigd aan een balk van een zoldering . Bouten, touwen en katrollen. Een nylon dildo in m’n reet met daaraan een halve meter roze barbiehaar en een rode pingpongbal muurvast tussen mijn lippen . En dan luid hinneken als een gesmoord Belgisch werkpaard op zere knieën, kruipend door de kamer. Of andersom natuurlijk. Dat ik de Noorderling over een plastic dekzeil van de Praxis heencommandeerde met een slagwapen, terwijl hij met moeite een plasje moest doen als een poedelreutje; met één ‘poot’ zijdelings omhoog. Ik zou in een nauwsluitend latex, zwart- glanzend kostuum de Noorderling op de vloer aan mijn voeten domineren. Hij zou dan een maskertje van leer met ritsen dragen waar hij soms pijnlijk zijn tong tussen zou bezeren. Hartstikke geil. Overdag zeemansknopen oefenen aan de keukentafel om elkaar later die dag om beurten in onwaarschijnlijke staat van opwinding te knevelen. Opdat wij vervolgens onze lichamen door middel van meters en meters gebleekt katoenkoord te veranderen in een ongeschonden koude varkensrollade. Een sexueel spel dat kon bestaan door volledig wederzijds vertrouwen en ongespeelde overgave. Waar onderwerping en dominantie op basis van liefde in de vorm van een rollenspel in verborgen speelkamers plaatsvind. Dat wist ik wel van Sado Masochisme. Sadomasochisten drinken ook gewoon koffie bijvoorbeeld. Ze hebben vaak belangrijke banen die veel stress opleveren. Het zijn ambitieuze mensen die in het dagelijks leven veel verantwoordelijkheid op zich nemen. Geleerde mensen ook, met diploma’s en hele dikke portomonneeën.

De Noordeling zat daar nog steeds op z’n knieën met een kloppend geslacht, ik kon zo zijn balletjes zien hangen, zoals hij daar zat. Ik besloot aan zijn wens tegemoet te komen. En met alle kracht die ik had, sloeg ik met de vlakke hand op zijn achterste, als een meisje; want ik sloeg uit het lood. “ GODVERDOMME!” riep hij uit, terwijl hij zich pardoes met een van pijn vertrokken gelaat op z’n zij liet vallen. Een knalrode afdruk van mijn dameshandje stond als een stempel boven zijn bil in zijn onderrug. En ik schoot nog sadomasochistisch in de lach ook. (Alsof het allemaal nog niet erg genoeg was.)

Als een haasje ben ik naar beneden gelopen, door de bijkeuken heen, de keuken in, de achterkamer door, naar de voorkamer toe. Daar waar Harko al in zijn relaxatiestoel zat met het Nieuwsblad van het Noorden op schoot. Daar keek ik op naar het houten kruis waaraan Hij zat vast gepind met gebeeldhouwde spijkers, en zei hardop:

Goedemorgen, Jezus Christus!”


Read Full Post »

‘ Vrij dag nacht’

Na de avondse broodmaaltijd schoot Harko de klompen aan om zijn vier hobbiekoeien voor de laatste maal die dag te melken. De Noorderling en zijn broer rookten sigaretten in de achterkamer. Henderik keek daar wat t.v. bij , de Noordeling las een krant. Ik hielp Aafke met het afruimen van de eettafel. Op de schaal lagen nog wat schilfers vlees naast rafels rood-wit rolladetouw; het mooiste soort koord ter wereld, als u het mij vraagt. De stapel flessengroene- glazen borden met een stapel vuile vorken erop, verdwenen in een plastic teil gloeiend heet sopwater. Aafke waste af met onbeschermde handen en een houten kwast. Het afwaswater vormde een dromerige wasem in de ijskoude keuken.’ Dat ze d’r poten niet verbrand…’, dacht ik, maar ze gaf geen krimp.Voor de rest was de avond verloren.Tegen twaalven werden beneden die twee inspiratieloos vormgegeven lampen uitgeknipt. Henderik was al eerder naar boven vertrokken. Ongewassen verdwenen Aafke en Harko hun liefdesnest in, hun kunstgebitten achterlatend in kleurige bakjes koud, bruisend water. Tandenloos reikte Aafke mij een handdoek en een washandje aan voor de aanstaande ochtend en wenste ons een goed nacht. Gefascineerd door haar ingevallen smoelwerk vergat ik haar haast terug te welterusten. (Waarom stoor ik me toch aan de smaak van een ander? En waarom is het in dit leven toch zo moeilijk mensen te nemen zoals ze nu eenmaal zijn?) Tandenpoetsend denk je ook wel eens wat, Zeker als je je liefde schrobbend naast je hebt staan. Het is niet netjes iemands ouders hardop te beledigen.

Vanuit het episch centrum, de bijkeuken, liep een zeer smalle, steile trap. Het was dat deze bekleed was met iets dat op vloerbedekking leek, anders zou ik beweren dat wij via een ladder naar ons slaapvertrek moesten opstijgen. Boven was het koud en aardedonker. Er scheen alleen een streep gelig licht onder een gesloten deur vandaan; Henderik sliep nog niet of was met het licht aan in slaap gevallen. Kan het u rotten? Het ging erom dat er licht was, in die bordkartonnen bovenverdieping van dit koude, naar koeienstront ruikende huis. Ik hou niet zo van de duisternis, toen ook al niet. De Noorderling sloeg het dekbed voor me open en ik stapte er naakt en bibberend in, daarna liep hij met z’n halfstijve wiebelpik naar de knop, schakelde het licht uit en kroop naast me op het matras. (Hier sliep hij tot hij een kans zag te ontsnappen, dit was zijn oude kamer. Dit is zijn oude bed.) De warmte van zijn handen op m’n wangen en het logge gewicht van zijn lichaam op dat van mij waren niet schuldig. Dat matras was hard en van de Duivel.Op het moment dat mijn sensortje begon te gloeien was zijn genot alweer aan het krimpen. We kusten weltrusten en dat, was dat. In het donker sperde ik mijn ogen wijd open. Maar of ik mijn ogen nu opende, of sloot; het maakte niets uit. Aan zijn adem hoorde ik dat de Noorderling aan het wegzakken was, hij piepte een beetje.

Zelf worstelde ik nog even met de nacht in Ulrum die zo donker was en liep van onder langzaam leeg. Met één voet in dromenland gleed ik weg, tot ik schrok van de stem rechts naast me, die vanuit het niets leek te komen:“ Ik zou het fijn vinden als je morgen wat minder vloekte, Biep” Het duurde na dit verzoek langer de slaap te vatten dan me lief was. Maar ik zweeg als de dood.

Read Full Post »

’s Avonds brood

Over het wijnrode Perzische tafelkleed heen rolde Aafke een plastic zijl van een bezemsteel af. Een donkerblauw BrigitteBardot ruitje decoreerde het kunststof waarop een schaal met koude varkensrollade werd gezet. Terwijl we samen de tafel verder dekten voor een broodmaaltijd was de avond al even gevallen. Het zal een uur of zeven geweest zijn. De ramen waren nat, maar de bui leek opgepompter doordat de wind aan de stevige kant was.Vader Harko hees zich uit zijn reuzen-klapstoel en stapte uit de sigarettenrook gevulde voorkamer de achterkamer in. Daar nam hij vrijwel gelijk weer plaats op een eiken stoel met biezen zitting aan de kop van de eettafel. Zijn pakje sjag stak hij in de borstzak van zijn overhemd. Zelf zat ik aan de andere kop. Aafke ging zitten en de Noorderling ging zitten. Juist toen vader Harko tot mijn schrik op het punt stond zijn ogen te sluiten en zijn handen te vouwen om de Here te danken voor koude varkensrollade, sloeg de deur van keuken-naar achterkamer met een theatrale zwaai open en een Pavarotteske kreet klonk;

HEUJ,wod goan wie eet’n, moeke?!” Een pezige jongen met schouderlang donkerblond haar, met dezelfde sokken aan zijn voeten als zijn vader, een hoogsluitende jeans, met daarin een smetteloos zwart t-shirt van AC/DC gepropt, stond met een olijke lach en gespreide armen in de deuropening. Hij kustte zijn moeder en gaf zijn oudste broer een handdruk. Volgens mij had hij mij al opgemerkt, want ik kreeg een razendsnel knipoogje voordat hij neerplofte in een andere eiken stoel, met biezen zitting, links van mij.“ Moi, Henderik. Welkom in Ulrum” Na dit vrolijke moment viel de stilte alsof bevolen.

Terwijl ze met zijn vieren in een kort gebed verzonken waren, rook ik de geur van de buitenlucht en de regen die nog in de haren van Hendrik was blijven steken. Heerlijk fris. Daar ging een neutraliserende werking van uit, aangezien ik een gebed tot een God toen ook al ervoer als een benauwend spektakel. Wij aten. En zij praatten in dialect. Heel mooi. Ik verstond er geen hol van. Ik zweeg, alleen in mijn eigen gedachten verzonken.

Aafke had ik zien deelnemen aan het dankwoord met een gebogen hoofd en gevouwen handen die rustten op de rand van de tafel. Haar gezicht leek op dat van een stervende. Vader Harko bad luid en met overtuiging; Wat moest hij blij zijn met de Here in z’n huis. Hij had wel iets van een dromende buikspreekpop met zijn oogjes toe en zijn malle wangenkapsel. Henderik bad ook.  Henderik zweeg met z’n ogen gesloten en met z’n vork in zijn vuist, al klaar voor de start. Maar het ergste moest nog komen…… Ik had de Noorderling, míjn Noorderling, zijn handen niet zien vouwen. Maar ik had hem, zoals een dik, vet engeltje dat zou doen, zijn handpalmen tegen elkaar aan zien drukken. Ik hoorde hem zachtjes maar duidelijk genoeg het gebed vlekkeloos nabouwen.

Neuk ik daar mee?” dacht ik in het geheim.

Wij aten. En zij praatten in dialect. Heel mooi. Ik verstond er geen hol van en ik zweeg.

Ongeloviger dan ooit.


Read Full Post »

Older Posts »