Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for the ‘Erfstiften’ Category

De geur van het gesticht

Er is bij mij nog maar weinig eigen herinnering overgebleven aan mijn broer. De geluiden die hij nog uitstootte op zeer jonge leeftijd hadden niets met taal te maken. Al snel zweeg hij en wees naar wat hij nodig had. Ik weet nog dat zijn huid droog was. Zijn haren waren lichtblond, zoals dat van mijn moeder. Toen ik twee werd, was hij al twee maanden eerder dat jaar jarig geweest. Drie jaar oud en klaar voor het tehuis. Van zijn vertrek heb ik vanzelfsprekend niets gemerkt; zelf liep ik net een jaar. Zo leerde ik gaandeweg dat ik een broer had, maar voelde me een zuster van niemand. Opgroeien deed ik als enig kind samen met mijn ouders, beneden in een vierhoog flat; wij hadden een tuin. En een hond en een kat.

Soms dacht ik wel aan mijn broer als mijn moeder huilend met de handen in het haar thuis op de bank zat. Dan waren we op straat een moeder met een andere mongool tegen gekomen. Later kwamen er ook veel vaker mongolen op televisie; mijn moeder huilde steeds vaker. Ik vond andere mongolen er veel lelijker en debieler uitzien dan mijn eigen broer, mijn broer Ivo. Hij sprak bijvoorbeeld niet, was niet aanhankelijk of luid, bemoeide zich weinig met anderen, liet z’n tong niet uit zijn mond hangen en kwijlde niet. Hij hechte waarde aan het zich steeds op dezelfde wijze repeterende bezigheden, stipte tijden, gelijke routes en hield van dieren, fricandellen en patat. Soms ging ik met mijn ouders mee om hem te bezoeken in het tehuis. Ver weg, verstopt in de Nederlandse bush. Het tehuis bestond uit diverse afdelingen verspreid over verschillende gebouwtjes met namen als; ‘ De kleine Wolf ‘, ‘De kabouter’ of ‘ De paddenstoel’. Er was ook een kinderboerderij aan verbonden met stallen, dit alles omgeven door wandel-en fietspaden. Bos en mos. Het rook er fris en koel naar zwarte aarde, schimmel en droog schors. Ivo was fan van Ed en Willem bever. Mijn moeder droeg een paarse plastic tas met daarin een piepbeest verpakt in cadeaupapier en een voorleesboek vol met plaatjes van de dieren van het grote dierenbos uit het televisieprogramma ‘De fabeltjeskrant’. Het was koud in het woud.

 

Mama kocht die rubberen Goofy in de speelgoedwinkel. Het rubber was nieuw en zacht. Als je in Goofy’s kop kneep, ging dat heel soepel en de piep was nog heel helder. Ik mocht mee naar de winkel om het piepbeest uit te kiezen. Zelf mocht ik ook een cadeautje, maar mama vond het ook prima dat ik liever naar de sigarenboer op het blok wilde voor twee pakjes Elvisplaatjes en een zoute rij voor vijf cent. Drie lichtgele mannetjes en twee lichtbruine hielden zich hand in hand aan elkaar vast. Ik beet een geel mannetje links weg en daarna ook die gele aan de rechterkant. Dat laatste gele poppetje in het midden was ik, en die twee lichtbruine waren mijn ouders. Ik was vijf inmiddels. Ik ving hommels in een jampot en goot samen met mijn buurmeisje gips in latex mallen van oude knutselpakketten. We deden paarden en poezen. Samen met Ingrid schilderde ik de beeldjes. Wanneer ze glommen van het vernis en ze niet meer plakten, beklommen we alle trappenhuizen op zoek naar de omaBuurvrouwen om ze te verkopen. Soms kregen we snoep , maar vaker vingen we een duppie. Zo konden we weer nieuwe pakjes Elvisplaatjes kopen. We hadden Elvis voor zijn uiterlijk; want wat Elvis voor de kost deed, dat wisten we toen nog niet. Ingrid had een tweelingbroer, maar dan een normale. Ik heb haar één, hooguit twee keer verteld over mijn broer, maar verzweeg dat hij achterlijk was. Later, toen Elvis stierf in Augustus 1977 vonden we dat we maar moesten overgaan op John Travolta plakkers. Plaatjes sparen van dooie mensen vonden we raar.

De plaatjes die ik die dag van mijn moeder kreeg, lagen veilig thuis op het dressoir. De aangevreten zoute rij nam ik mee in m’n jaszak. Ik kneep de poppetjes plat tussen duim en wijsvinger en met m’n andere hand hield ik mijn vader vast. Zijn hand was enorm, sterk en warm. Mama’s tas hing over haar arm en in de andere hield ze een bosje droogbloemen vast. Ze liep behoorlijk door. Zonder te praten liepen we over het natte pad en de gefiguurzaagde dwergen van Sneeuwitje langs het pad, wezen de weg naar de pianobar waar mijn grote broer woonde. Papa’s sigarettenrook was blauwig en de mijne blies ik wit door mijn vredesvingers heen, dat zó verdween in de kou. De bomen waren kaal en de slapende varens lagen in dorre pollen tussen het oude blad. Het was zestien Februari 1976 en de Waterman werd zes die dag. Onverwachts maakte ik een sprong in een modderige plas op het pad die mislukte doordat m’n vader me een nijdige ruk aan m’n arm gaf. Mama keek boos en ik wilde alleen nog maar rammen op de piano van Ivo. Want straks als we weer naar huis gaan, dacht ik, is mama weer verdrietig, ondanks dat Ivo lang niet zo lelijk en debiel was als Matthieu, Pieter en Annet. Die waren pas om te janken. Annet zat in een rolstoel en droeg permanent een slabbetje voor het onophoudelijke gekwijl, haar tanden stonden scheef, haar mond krijste en haar handen waren vergroeid. Ze sloeg me ook, als ze de kans kreeg. Ik was bang voor haar en hoopte dat ze er niet was. M’n broer zou er zitten op de grond, achter een heuvel van piepbeesten. Matthieu en Pieter waren wat zachtmoediger en eigenlijk ook wel gewoon lief. Het gebouw was opgetrokken uit rode baksteen en alles wat van hout was, was donkerbruin gebeitst. Het had een plat dak, net als onze flat in Utrecht. Mijn opa vertelde me ooit eens dat Koningin Juliana heel dicht bij Ivo woonde in paleis Soestdijk. Dat vond ik indrukwekkend, want de Koningin was een ster; net als Elvis Presley. Een gebouw vol apengeluiden en poepgeur naast een paleis vol prinsessen en prinsen.

De recreatieruimte bestond uit een t.v.hoek, een koffietafel, een voorleeshoek en her en der stonden stoelen en tafeltjes. Tegen de enige raamloze muur stond het machtige instrument. De hoogste tonen deden het niet meer, de snaren waren gesprongen. Van heel wat toetsen ontbrak de imitatie ivoren toplaag..die toetsen waren van kaal hout. Ivo keek niet op of om toen we binnenkwamen en lag op zijn rug tussen zijn beesten. Pieter en Matthieu waren er en Pieter had zijn helm op. Annet was er gelukkig niet. Papa en mama kregen koffie van Jolanda, een van de groepsleidsters. Pieter en Matthieu zaten al klaar op de kruk en ik ging er naast staan. Er waren nog meer ouders van andere bewoners, het was best druk. Terwijl we herrie maakten op de piano, keek ik af en toe naar m’n ouders die op hun hurken bij Ivo zaten. Hij scheurde het papier in honderd snippers en strooide ze iedere keer weer omhoog wanneer ze allemaal weer geland waren. Goofy lag met een stompzinnige grijns op z’n smoel zijdelings tussen de benen van mijn broer. Made in China. Ze hielden afstand en raakte hem niet aan. Meestal wilde hij dat niet, aangeraakt worden. Dan kon hij je nog weleens lelijk knijpen. Ondertussen ramden wij gedrieën lustig op de toetsen, als Pieter tenminste niet als een zeeleeuw verrukt in zijn handen aan het klappen was. Hij was heel blij, net als Matthieu, die mijn hand vasthield. Zijn gebit was geel en hij lachte het helemaal bloot. Ik zag dat Mama nu met Ivo tegenover zich in de voorleeshoek zat voor te lezen uit de fabeltjeskrant en dat papa zat te roken aan de koffietafel. Hij keek wat voor zich uit naar helemaal niks. Ik wilde eigenlijk ook wel weer eens voorgelezen worden. Ik wilde wel opstaan, maar Matthieu liet me niet los. Hij kneep in mijn hand. Hij kneep hard, heel erg hard en het deed me pijn. Zijn ogen rolden nu naar achteren. Hij viel van zijn kruk op de grond en toen pas liet hij mij hand weer los. “Mama!!” riep ik. Maar m’n moeder hoorde het niet. Pieter sloeg met twee vuisten op de piano en had pret voor tien. Pas toen ik hard, huilend gilde, sprongen Jolanda en nog wat mensen geschrokken op. Matthieu lag op zijn rug als een stervende vogel en maakte rare bewegingen. Het begon naar stront te ruiken in de zaal.

Fever! When you kiss me, fever when you hold me tight”

Dit jaar was tevens het jaar dat mijn vader me verliet zonder iets te zeggen en ik thuis alleen achterbleef met mijn moeder. Het weerzien met mijn broer werd beperkt van een stuk of vijf maal per jaar, tot iets eenmaligs. Tegen de tijd dat ik negen werd, hield de veertiendaagse bezoekregeling met mijn vader op, met als gevolg dat ik mijn broer ook nooit meer zag. Mijn moeder bezocht haar zoon in de bush al niet meer sinds de scheiding. Het bewijs van hun bestaan zocht ik als kind, puber en twintiger op in fotoboeken. In stilte heen en weer bladerend tussen spinnenwebben vloeipapier.

Pas in 1998, achttien jaar later, ontmoette ik Ivo weer. Hij was inmiddels een jonge man van achtentwintig, geschoren en gekleed in een rode sweater en blauwe jeans lag hij. Om zijn nek droeg hij een portemonnee aan een koord. Naast hem stond een rubberen Ernie en een speelgoed autootje. Achter zijn oor, tot in de hals was een bloeduitstorting te zien. Op de vloer lagen grote en kleine bloemenkransen met bedrukte linten eraan. De namen van mijn vader, Annet en Pieter herkende ik wel, de meeste anderen niet. Ik keek naar zijn gezicht achter het glas en ik had het best willen aanraken. Mijn buik raakte zijn kist en het kind in mijn lichaam bewoog lichtjes. De Waterman was ingeslapen, een paar dagen voor de komst van de Goedheiligman en zijn knecht.Verderop in de gang van het mortuarium hoorde ik de lange uithalen van het gehuil van mijn moeder naderen. Tijd om te gaan.

Even voelde ik nog aan het handvat van zijn kist, pakte de hand van mijn vriend en nam zo afscheid zonder een traan te laten. Ik vond dat ik het recht niet had.


Read Full Post »

Eerste kerstdag 1984

De keuken van mijn moeder stond vol beeldjes van kippen en konijnen. Door het raam boven de gehaakte gordijntjes uit, zag ik het dunne ijs op de vijver staan. Het was eerste kerstdag 1984 en de naam van mijn stiefvader werd door het huis heengebrult door mijn moeder. Wij waren gekleed in kerstige jurken en mijn broer in een kerstig cordury broekje met overhemd en vest. Onze vader lag nog op zijn nest. De toon was gezet, om half tien in de ochtend. Woest sneed zij de kerststol aan met wijd opengesperde neusvleugels. Wij waren dat wel gewend. Ik, de gangmaker van vier kinderen, gooide wat olie op het vuur door twee lege bierflesjes die op het aanrecht stonden als klokken te laten klingelen. Na enige tijd daalde onze vader gekleed in een gekreukt overhemd te trap af, richting de w.c. Zijn geslacht hing in treurig plasverlangen onder het katoen uit.

Het is KERST, godverdomme…Waarom kan jij nou nooit eens, net als wij, op tijd je nest uitkomen. Heb je weer hoofdpijn?” Zij was boos. “Zeikwijf..” klonk er hol vanuit het gesloten piskamertje. Ma hield er de moed nog maar nauwelijks in; want het móest gezellig zijn. Tot overmaat van ramp, zaagde ze een snee in haar kluif en ging nu vloekend LOS. Dat vloeken hoorde wij als kinderen allang niet meer. Ik keek gebiologeerd naar het bloed op het broodmes dat zich vermengde met amandelspijs. Na het vloeken kwam het huilen. En na het huilen kwam het snuiten. En na het snuiten kwam de moed voor een spelletje MensErgerJeNiet.

Leuk! Ik had geel. En alsof de duivel ermee speelde, kregen mijn zusjes, mijn broer en ik er ook nog lol in. Mama las intussen een kalmerend roddelblad op de bruine bank. Wij sloegen elkaar, tipte elkaar over en vulden de vakjes met rode, gele, paarse en groene pionnetjes zonder elkaar onder de tafel te trappen. Als je ouders het allemaal niet meer aan kunnen, dan moet je als kinderen bepaalde taken van ze overnemen. In de naam van Jezus Christus, Amen.

Toen de ochtend in de middag veranderde, besloot ik samen met mijn broer een goede daad te verrichten. Wij zouden de slagroom verzorgen deze kerst. Wij hadden een metalen slagroom spuitfles waarin je room goot en de suiker strooide. De spuitkop draaide je vervolgens stevig vast. Daarna behoorde je dan een koolzuurcapsule in te draaien en kon het spuiten beginnen. Hoge torens op het advocaatje van mama.. Maar mama was vergeten die koolzuurcapsules te kopen, dus moesten we naar buurman Hennie. De terrorvader van onze vriend en vriendin links naast ons. Wij moesten daar moed voor verzamelen. Mijn broer en ik wáren moedig: Wij durfden ook een doos vol stront met een brandende rotjesbom er in voor zijn deur te zetten. Dus.

Buurman Hennie had ze! Verdomd als het niet waar was. Hij gaf de capsules aan ons; Want het was kerstfeest en het glas cognac in zijn handen streek over zijn hart. Bloedhond, brandweer en Charles Bronson-fan was hij. Lachwekkend, nietwaar?

Mijn broer Berthus en ik kwamen thuis met de buit en draaide de capsule in de slagroomspuit, ik schudde de fles krachtig en deed de spuittest. Godeverdomme: NIKS. De room bleef dun. “Mama! Hij doettet niet!” Mijn moeder riep vanuit de Privé ‘dat we het dan nog maar eens moesten proberen’. Berthus draaide de tweede capsule leeg in de fles. In de keuken met de gehaakte gordijntjes en de bruine tegeltjes kwam onze vader thee zetten, keek, mompelde en liep weer weg. Nog steeds was de room dun en ik proefde.. Dun en zoet. En het voelde als Seven-up op mijn tong. Dit werd niks, zo.

Gooi maar weg, die troep” Zei m’n broer. En toen gebeurde het. De spuitkop van de fles zat verschrikkelijk vast, maar ik liet me niet kisten. Ik pakte een theedoek en probeerde het nog eens; draaide….

BOEM!!!!

Alles. Werkelijk álles in de keuken: Vier muren, het plafond, de konijnen en de kippen, het keukenraam, mijn brilletje, mijn broer. We waren verslagroomd en ik moest zo verschrikkelijk lachen, dat ik haast in mijn maillotje zeek. Mama kwam de keuken in en keek naar ons met een vernietigende blik in haar ogen; maar we konden maar niet ophouden met lachen….we moesten ZO lachen. Onze vader kwam nu ook even kijken…mompelde iets en liep met een vieze grijns weer terug naar de huiskamer, waar zijn thee nog stond te dampen.

Berthus en ik hebben toen de hele kerst op onze kamer moeten zitten. En weet je? Wij hebben daarna met kerst nooit meer zo gelachen als dat we deden tijdens de kerstdagen in 1984.

 

Read Full Post »

Kerstavond 24 December 0

Net uit je warme moeder, je stikt half in een slok vruchtwater; Krijg je een pets op je kont en moet je met je blote vel in een bak stug stro. Staat er vee naast je te kledderpoepen en wacht er meteen al visite van drie koningen voor de deur. Je hebt nog niet eens de coördinatie voor het uitpakken van mirre…

En dan dat sterrenlicht boven je hut dat herdertjes aantrekt. Je ként die mensen niet eens. Je moeder ligt voor Pampus en je vader is zwaar chagrijnig. Lig je dan, met een strootje in je anus. En er is geen mens die je daar even van af helpt omdat ze allemaal op de knieën liggen voor je. Huilen helpt niet. En je had zo graag Archibald willen worden genoemd, maar ze hebben er Jezus van gemaakt; Gristus nog aan toe! Papa staat met zijn tondeldoos te proberen het wierrook te ontsteken en mama voert de moederkoek op aan de eendjes: Het is December. Jaar 0.Toen waren er nog geen BIC-wegwerpaanstekers. Heb je een mama met een barbievagina die de koe laat opdraaien voor het borstvoeden. (Mama heeft nu een héél andere vagina, sinds ik er ben)

Maar goed. Daar liggen, zitten en- staan we dan. In Bethlehem…in de herberg naast onze hut zitten ze aan de punch bij de kerstboom: Feest te vieren. En nét als je je buik hebt volgedronken uit die warme runderuier, komen er als donderslag bij heldere hemel Engelsen met vleugels neerdalen van boven. En krijg je wederom een corrigerende pets op de bil, dit maal van God, Vader en tevens gedachtenpolitie van beroep. “Het zijn ENGELEN, mijn zoon!” bulderde hij. Een rechtvaardig man, mijn denkbeeldige paps. Als pasgeboren almachtige valt het allemaal niet mee….kerstavond. Heel hyperig allemaal, wanneer Eng-el-en “Jezu wellekome” schallen.

 ~ Jezus moet even een sjekkie draaien..moment geduld s.v.p.~

 Na enkele uren vertrokken de dronken herdertjes met lege heupflacons samen met hun zesonderdéénendertig schapen. Het was gruwelijk druk, maar toch gezellig.De drie koningen verdwenen uiteindelijk de herberg in met hun dronkedarissen en de Engelen keerden terug naar hun ISS ruimtestation om televisie te kunnen kijken. Toen had papa eindelijk de tijd en voldoende privacy om met een dot kamelenharen de wonde van mama’s vooronder te deppen met boerenjongens. Iets anders was immers niet voorradig om tot ontsmetting te geraken. Papa was maar een simpele timmerman en het was allemaal overweldigend nieuw voor hem. Rond twaalven vond God de Vader het ook wel welletjes en draaide de peer uit de ster. Papa, mama en ik vielen in een kalme, diepe slaap. Er lag op dat moment nog een heel leven voor me met een snor, een baardje en een doornen kroon. Een leven met een hoer en twaalf postbodes

Het leven zou voor mij nog voor verassingen komen te staan, maar nu ik sliep, genoot ik van de zachte droom over een préttig kerstfeest.

Read Full Post »

ZIJ en IK : deel1

Nadat ze haar beddengoed een paar uren aan de rumoerige, frisse straatlucht had laten luchten, sloot ze het raam met een klap. De overbuurvrouw had haar kerstboomlampjes al ontstoken, zag ze, net voordat ze de plisségordijnen liet zakken. Ze schudde de kussens op. De slaapkamer zag er rommelig uit door opgestapelde dozen en rijen lijsten die tegen de wand aanleunden. De boekenkast die zo groot leek in de winkel, maar er nu hier toch volgepropt uitzag, stoorde haar ook. De kleur van de muren stond haar tegen en één van de ruitjes van de deur was ook al tien jaar afwezig vanwege een woedend momentje.

Ze sloeg het zware, wollen winterdek open en trok het strak over het matras. Ze tilde het matras aan het voeteneind omhoog en stopte de sloop er weer netjes onder. Zij is Ik en Ik ben Zij. Ik kijk weleens naar haar, als ze zo loopt te stampen door het huis wanneer iedereen van het gezin, behalve zij, naar school of naar het werk is vertrokken.Wij roken altijd samen sigaretten in de ochtend en drinken wijn in de avond. Als wij, ik en zij, samen Mij zijn, dan hebben we toch weer een stap voorwaarts gedaan

Zij loopt op blote voeten met natte haren weg uit de slaapkamer en vult de closetrolhouder bij met verse, goedkope, maar zachte rollen wc papier. Ze drukt zonder haar behoefte te hebben gedaan de grotebehoefte-knop in. Die naast de kleinebehoefte-knop. Gewoon nog even dat kleine stukje stront wegspoelen dat daar nog zo’n beetje met z’n laatste krachten aan het glazuur kleefde. “Niet mijn stront”, dacht ze, en glimlachte. Verder zag de badkamer er ordelijk uit, vond ze, na een snelle inspecterende rondgang van haar ogen. Ze ging op de pleebril zitten en trok haar sokken aan.

Ze liep weer naar de slaapkamer en schoof drie dozen aan de kant zodat ze de boeken van de onderste plank te pakken kon krijgen. Ik kreeg de boeken die ik vond in de verlaten flat van mijn overleden vader niet uit mijn gedachten. Zij vertrok en ik bleef over met besokte voeten achter op de plankenvloer. Ik tilde de dagboeken van mijn vader er per drie uit, ze waren zwaar en roken nog een beetje naar het gif dat ik er eind Juli op had gespoten. (Toen alle bladeren nog aan de bomen zaten en de bladluizen nog gulzig dronken van de rozenknoppen in de tuin, ontdekte ik hele kleine, snelle beestjes tussen de bladzijden.) Vanaf het jaartal 1995 tot en met 2011 had ik de dagboeken van mijn vader in mijn bezit. De jaartallen 1997, 1998 en 1999 lagen in een locker, op het politiebureau in Utrecht. Een aantal weken geleden belde ik de desbetreffende resercheur die ik eind Juli had gesproken op, om te vragen of de boeken wel veilig waren én of hij er al iets mee gedaan had. De boeken zijn veilig en ongemoeid gelaten, zoals verwacht. Ik drukte hem op het hart dat ik hoopte dat hij er voorzichtig mee zou omspringen en dat beloofde hij.

Ik legde de boeken op volgorde op mijn bed en keek ernaar. Lange, rechthoekige werkagenda’s. Sommigen beplakt met dun karton om de kaft te beschermen tijdens gebruik. In het begin nam hij ze mee op zijn tochten door Nederland, later niet meer. Ook dat is te lezen. Alles is te lezen. Alle dagboeken, behalve de drie dagboeken die ik nu tijdelijk niet in mijn bezit heb, hebben hetzelfde formaat. Groot en log en inhoudelijk vol. Zo verschrikkelijk vol. Met alles en niets.

Ik begon opnieuw in het laatste dagboek te lezen. Op de laatste dag die hij zijn leven van uur tot uur beschreef in notaties. De laatste notaties die ik al tientallen keren had gelezen. Het boek dat opengeslagen op een mahoniehouten tafel lag onder het licht van een halogeenlamp met een IKEAlabel aan het snoer. Naast een overvolle asbak, waar de regelmatig gedraaide peuken rechtop gestoken stonden in circelvorm, in een laag anijsgeurend schelpenzand. Ergens, in een seniorenflat.

24 Juni 2011

12:05  Wakker •Opstaan• PLPL

12:55  Gegeten: 1 bh. Kuikenfilet / grill

              Echt smerig/ weg

              1bh. Jam

              Sap van: 2 Sinaasappelen

13:05   Gewassen en aangekleed

               25 Juni uitlijnen

               Ik heb het koud

14:35   Stoppen met krassen. Ik beef als een riet.

15:10   ’n Paracetamol 500 en plat

16:20   Wakker •Opstaan• Krassen

               Klaar ∞ (symbool voor ‘klaar met uitlijnen’ voor 25 juni)

16:45   Klaar∞ (symbool voor klaar met krassen= schrijven)

              Shaggie

              NDR | Kielerwoche

18:15   Shaggie

Na een weekend dat geteisterd werd door een hittegolf werd ik gebeld door een agent met een ernstig klinkende stem. Het was op woensdag, negenentwintig Juni dat hij samen met een collega een lichaam naast een bed op klossen vond, in een flat met gesloten ramen.Waarschijnlijk hield hij zijn wijsvinger onder de laatste notitie op het papier van het achtergelaten dagboek onder het woord ‘Shaggie’, toen hij me vertelde dat mijn vader vermoedelijk al vier dagen lag te ontbinden.

Ik voelde mijn hart bonzen en mijn knieën week worden. ZIJ verdween de tuin in om de planten te sproeien. Gewoon, verder gaan met waar wij mee bezig waren.

Read Full Post »

Een

doos

vol

neuzen

tussen

oren

en

brillen

voor

ogen

haren

op

koppen

van

kinderen

mannen

en

vrouwen

 

familie

kiekjes

en

toch

een

doos

vol

vreemden

 

Read Full Post »

Omdat het vaders laatste wens was in een handgeschreven document, werd aan zijn wens tegemoet gekomen met onuitgesproken weerstand. Met de laatste wens van een overledene viel immers niet te spotten.

Na vijfenzestig jaren schepen verbranden waren al zijn zwavelstokken verstreken en viel er niets meer te verkolen. Het vuur keerde zich tegen zijn lichaam en na nog eens zes jaren verzette hij zich niet meer. Hij viel tenslotte in eenzaamheid naast zijn nest en werd niet meer wakker

De superster van zijn eigen groteske toneelstuk bleef nu achter in z’n krappe houten kist op het podium van de zaal waar de nabestaanden in bezit werden genomen door diep verdriet, stuitende verbazing en ingehouden woede. Samen zagen ze zijn allerlaatste vlammetje doven. Daar waar zij luisterden naar de klanken van zijn lievelings-CD en surrealistische toespraken. De leugens uit zijn leven verdeelden de drommen en iedereen weet dan wat de waarheid is, nietwaar?

Een zaal gevuld met lege stoelen.Voorin een paar rijen bezet met treurende schepen met gehesen zeilen aan glanzende masten. Achterin zaten en een paar wrakken van verstild zwartgeblakerd eikenhout. Het houtskool was al dood of niet aanwezig. De één streelde de kist en plakte een handzoen op het hout boven het lijk voordat ze de zaal uitliepen. De ander schold vanuit de tenen met hete tranen om wat nooit meer ongedaan of zachter kon worden gemaakt.

De koffiekamer werd na de plechtigheid verdeeld in twee kampen, er was ruimschoots plaats voor dertig man waar er wel honderd konden vertoeven. Sommigen sloegen de koffie en het saucijzenbroodjes af. Ze gaven de dochter een hand zonder te condoleren, om vervolgens huiswaards af te koersen. Dat was namelijk haar wens die tot stand was gekomen uit een gebrek aan rouw, het uitblijven van een gedeeld leven met haar vader en de puinhopen die hij achterliet in de levens van anderen die nu niet aanwezig waren. Condoleren na een crematie is niet altijd een vorm van medeleven met de nabestaanden. Toendertijd was het haar stelling waar slechts acht mensen het respect voor konden opbrengen. Van de overigen kreeg ze misprijzende blikken, vuil geloer en gesis.

De laatste wens van de dode werd druk en gulzig ingenomen. ‘Er mag gelachen en gedronken worden; ‘Bier en wijn moet aanwezig zijn na de plechtigheid’, schreef hij immers op geruit papier toen zijn hart het leven nog door zijn lichaam heen pompte. Een aantal dagen voor de crematie gaf zijn dochter de uitvaartverzorger toestemming om aan die wens tegemoet te komen. Datgene te laten serveren waardoor hij een leven lang niet in staat was een andere fout te maken, dan steeds weer dezelfde.

Dat zou de dode leuk vinden.

En ze dronken niet, maar ze zopen alsof de dood hen op de hielen zat: Gratis! Op zeshonderd euro extra-tempo Met de bierfles in de hand liepen ze losjes langs de respectloze dochter en haar familie naar buiten om voor het crematorium te kunnen roken. Daar waar de nabestaanden van een nieuw te cremeren overledene nog even moesten wachten tot ze naar binnen mochten van de raven. Met alle respect; Het getinkel van glas en het hardop lachen om een schuine mop, zou ze vast opvrolijken. Met lege flessen liepen ze weer naar binnen voor een nieuw flesje medeleven en zetelden de getreurden weer naast hun klessebessende mokkel met het halfvolle wijnglas in haar hand. Ze kletsten en staarden, na wat ze onhoorbaar elkaar vertelden, de kant op van de consumptielozen. Namen er nóg eentje, met een diep gevoel van eerbetoon.Voor de dode.

De serveerster serveerde en het kind van de overledene keek naar de wijzers van de klok.

Ook aan de wensen van een overledene komt namelijk altijd een einde, dacht ze.

 

Read Full Post »

 

Read Full Post »

Older Posts »